Inschrijvingsformulier Seminarie Rechtenbenadering

Op initiatief van Viva Salud, KIYO en Solidagro wordt het seminarie ‘Rechtenbenadering’ georganiseerd op vrijdag 3 december 2021 van 8u45 tot 17u30 in Maison des associations internationales (Washingstraat 40 - 1050 Brussel) in samenwerking met 11 andere organisaties uit het Belgische middenveld: 11.11.11, ACV, BIS-MSI, CNCD-11.11.11, Commission Justice et Paix, FIAN Belgium, FOS, ISVI, Le Monde selon les femmes, SOLSOC en WSM.
Het seminarie ‘Rechtenbenadering’ zal doorgaan van 9u tot 17u. De openings- en slotsessies verlopen beiden plenair. In de voor- en namiddag vinden telkens drie sessies plaats, waaruit u een keuze dient te maken.
Het seminarie ‘Rechtenbenadering’ zal doorgaan van 9u tot 17u. De openings- en slotsessies verlopen beiden plenair. In de voor- en namiddag vinden telkens drie sessies plaats, waaruit u een keuze dient te maken.

Naar een dekoloniale benadering van mensenrechten

Mensenrechten zijn doorheen de geschiedenis steeds hand in hand gegaan met de strijd van verschillende groepen tegen onderdrukking, zoals de dekolonisatie- en anti-apartheidsstrijd. Ze hebben daarnaast een belangrijke rol gespeeld in de maatschappelijke vooruitgang, bijvoorbeeld op vlak van abortusrechten, het recht op werk en sociale zekerheid en LGBTQI+ rechten. We moeten er ons echter ook bewust van zijn dat het huidige mensenrechtenkader grotendeels machteloos blijkt om de structurele oorzaken van armoede en sociale onrechtvaardigheid te bestrijden. Sommigen beweren zelfs dat het huidige mensenrechtenkader zo nauw verbonden is met de westerse beschaving en het kapitalistisch systeem, dat het in feite dient als een instrument voor onderdrukking en neokoloniale overheersing.

Tijdens de slotsessie wilden we met mensenrechtenbewegingen in gesprek gaan om zelfkritiek te ontwikkelen en methodes voor te stellen om tot een daadwerkelijke dekoloniale benadering van het denken en van het mensenrechtenkader te komen.

 

Georganiseerd door FIAN Belgium

Gemodereerd door Manu Eggen van FIAN Belgium

Kunnen wij de mensenrechten nog gebruiken als een universeel instrument of hebben zij slechts een relatieve werking? Mensenrechten zijn niet efficiënt genoeg en er wordt met twee maten gemeten wanneer wij enerzijds mensenrechten inroepen tegen krijgsheren in Afrika en anderzijds tegen westerse leiders die betrokken zijn bij misdaden tegen de menselijkheid. We moeten de structurele oorzaken van ongelijkheid en armoede aanpakken. Volgens sommigen is het huidige mensenrechtenkader een erfenis van de Europese Verlichting, zijn ze verstrengeld met de westerse waarden en het kapitalisme. Om die reden zouden ze niet geschikt zijn om ongelijkheid te bestrijden en zelfs worden gebruikt als neokoloniaal controle-instrument.

Sofia Monsalve, FIAN International

Ik heb alles geleerd uit de praktijkervaring die ik heb opgedaan bij het werken voor FIAN International met grassroots organisaties.

 

Belangrijkste vragen: Zijn de mensenrechten universeel in het bevorderen van sociale rechtvaardigheid of zijn zij een instrument voor neokoloniale overheersing? En als dat zo is, moeten we dan dezelfde methoden en benaderingen blijven gebruiken en doen alsof ze prima zijn of moeten we zoeken naar manieren om ze te verbeteren? Zo ja, wat zijn die manieren dat?

Uit mijn praktijkervaring bij FIAN International met grassroots bewegingen, kan ik besluiten (naar mijn mening) dat mensenrechten niet universeel zijn. Ik denk dat we de mensenrechten opnieuw moeten verankeren en uitdiepen, zodat ze een belangrijke rol kunnen spelen bij het ontwikkelen van antwoorden op de multidimensionale crisis waarmee we vandaag worden geconfronteerd (d.w.z. ecologisch, sociaal, democratisch, sanitair, enz.). Met andere woorden, wij hebben nieuwe en visionaire methoden en benaderingen nodig voor de emancipatie van de mensheid en alle levende wezens, om ecologische, sociale en gender rechtvaardigheid te bekomen.

 

Er zijn drie niet-westerse benaderingen om de mensenrechten opnieuw te grondvesten.

1) Opnieuw verbinding met de natuur: in wetgeving en beleid worden de mens en de rest van de natuur als twee afzonderlijke entiteiten behandeld; er is geen erkenning van de onlosmakelijke band tussen deze twee en dit blijkt ook uit de mensenrechtenverdragen, waar het woord “natuur” niet in voorkomt. Wat dit betreft is de VN-Verklaring over de Rechten van Inheemse Volken (UNDRIP) om ten minste twee redenen een keerpunt geweest: zij erkent het recht van inheemse volkeren op land en grondgebied en benadrukt daarmee het belang van land, water, geneeskrachtige planten, dieren en mineralen voor de instandhouding van het menselijk leven; en zij legt de nadruk op de collectieve dimensie van deze en andere rechten. Echter, inheemse volkeren zijn niet de enigen die voor hun levensonderhoud afhankelijk zijn van land en grondgebied; ook boeren, veehouders, vissers en andere plattelandsbewoners hebben een sterke verbinding met de natuur. Zij hebben zich van oudsher vragen gesteld bij het idee om van de natuur handelswaar te maken en zij hebben geëist dat de controle over de natuurlijke hulpbronnen in handen blijft van de gemeenschap. De VN-Verklaring over de rechten van boeren en andere plattelandsbewoners (UNDROP) erkent eindelijk het recht op land en andere natuurlijke hulpbronnen, het recht op zaden en biodiversiteit, het recht op water om in het levensonderhoud te voorzien, het recht op een gezond milieu, alsook economische rechten die de arbeid en de economische activiteiten van de plattelandsbevolking beschermen. Dit zijn twee krachtige voorbeelden van emancipatoire manieren waarop de mensenrechten zich momenteel ontwikkelen. Mensenrechten en milieu- en klimaatoverwegingen moeten worden samengebracht. De tenuitvoerlegging van de rechten die in het UNDRIP zijn verankerd, biedt het UNDROP ook een kans om belangrijke instrumenten van de milieu- en klimaatwetgeving opnieuw te interpreteren vanuit het mensenrechtenperspectief.  Dit is van cruciaal belang om de relatie te verduidelijken tussen de rechten van volkeren, groepen en gemeenschappen die rechtstreeks afhankelijk zijn van functionerende ecosystemen en de bescherming van dergelijke systemen.

 

2) Het financiële kapitalisme uitdagen: Het idee van mensenrechten dat vandaag de dag dominant is, is in Europa ontstaan op hetzelfde moment als het kapitalistische systeem. Beiden zijn samen geëvolueerd. Individuele politieke rechten en het recht op eigendom waren de nieuwe manier om de sociale verhoudingen te structureren. Oorspronkelijk was de aandacht vooral gericht op de bescherming van particulieren (en hun vermogen) tegen misbruik of overregulering door de staat. Het is dan ook niet verwonderlijk dat belangrijke stromingen binnen de mensenrechtenbeweging het bestaande economische systeem, namelijk het financiële kapitalisme, niet frontaal aan de kaak stellen. Zij framen de duidelijke problemen van dit economisch systeem als een kwestie van “bedrijfsleven en mensenrechten”. Hun inspanningen zijn gericht op de verantwoordelijkheid en zorgvuldigheid van bedrijven en om ervoor te zorgen dat die bedrijven mensenrechten eerbiedigen, op een vrijwillige manier en in toenemende mate via overheidswetgeving. Als gevolg daarvan spreekt het bedrijfsleven vandaag de dag de taal van de mensenrechten. Grote bedrijven beïnvloeden conceptueel en praktisch het mensenrechtenwerk, en zij gebruiken een mensenrechtendiscours om hun legitimiteit in mondiale aangelegenheden te vergroten. Gezien de omvang van de schendingen van de mensenrechten en de ecologische vernietiging die door het huidige financiële kapitalisme wordt aangedreven, heeft de aanpak “bedrijfsleven en mensenrechten” in specifieke situaties misschien wel tot enige verbetering geleid, maar schiet zij tekort in het aanpakken van structurele onrechtvaardigheden. In die zin gaat het voorbij aan het emancipatoire potentieel van de mensenrechten. Er zijn andere stromingen binnen de mensenrechtenbeweging die zich in toenemende mate richten op het overwinnen van de beperkingen van de “bedrijfsleven en mensenrechten”-benadering. Deze stromingen zijn veeleer voortgekomen uit anti-imperialistische en nationale bevrijdingsbewegingen en uit diverse volksstrijd voor economische rechtvaardigheid. Andere inspanningen gaan verder dan het vervolgen van de wandaden van ondernemingen. Zij proberen de mensenrechten te gebruiken om sommige structuren van het bestaande economische systeem te veranderen. Ook sociale grassroots bewegingen maken al tientallen jaren gebruik van de mensenrechten om het idee te bestrijden dat voedsel, huisvesting, gezondheid en onderwijs handelswaar zijn.  Mensenrechten moeten een sleutelrol spelen bij het hervormen van onze economie. Er is dringend behoefte aan een sterkere band tussen mensenrechten en het economisch bestuur in het VN-systeem.

 

3) Het heruitvinden van de verantwoordingsplicht inzake mensenrechten: instellingen voor mensenrechten zijn zeer inspirerend, maar lijden aan fundamentele tekortkomingen:

  • Het gebrek aan adequate financiering: mensenrechten ontvangen slechts 3,3 procent van de totale reguliere begroting van de VN. De VN is voor haar werking sterk afhankelijk van “vrijwillige bijdragen” van staten, particuliere instellingen en zelfs ondernemingen. Deze situatie vormt een ernstige bedreiging voor de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van het gehele mensenrechtenstelsel, dat het slachtoffer kan worden van “corporate capture”.
  • het onvermogen van de bestaande mensenrechtenmechanismen om machtige staten en transnationale ondernemingen ter verantwoording te roepen: er bestaat geen wereldtribunaal voor de mensenrechten, noch enig ander doeltreffend mechanisme om schendingen van de mensenrechten wereldwijd te vervolgen. Nationalistische regeringen maken handig gebruik van de koloniale en imperiale geschiedenis van het internationaal recht om de mensenrechten te kunnen negeren. Veel van de effectieve mensenrechtensancties zijn niet het gevolg van onpartijdige, onafhankelijke instanties, maar van het buitenlands beleid van de VS of Europa. In die zin hebben de mensenrechten nog steeds te kampen met het ernstige probleem dat zij dienen/worden opgevat als een instrumenten van het Westers interventionisme. Een mogelijke oplossing is een nieuw evenwicht te brengen in de rol van regionale, nationale en internationale mechanismen, met minder nadruk op internationale instellingen en meer aandacht voor nationale en regionale systemen.

 

Conclusie

We zijn getuige van een sterke en krachtige mengelmoes van verschillende actieve grassroots bewegingen die strijden voor waardigheid, voor raciale, gender-, sociale en klimaatrechtvaardigheid en die getuigen van het feit dat de strijd voor de mensenrechten sterk leeft  en een sleutelrol kan spelen bij het vormgeven van nieuwe visies op democratisch bestuur.

Kumi Naidoo, mensenrechtenverdediger

Vraag: Hoe evalueren we de doeltreffendheid van de mensenrechten ter ondersteuning van de sociale strijd aan de basis en welke aanbevelingen moeten we geven aan de noordelijke ngo’s met betrekking tot de houding die we moeten aannemen opdat de mensenrechten een werkelijk transformerende rol kunnen spelen?

Veel landen hebben mensenrechtenverplichtingen in hun wetgeving opgenomen, dus die moeten primeren. De mensenrechtenbeweging in de geschiedenis was echter geworteld in de koloniale context en nu zitten wij opgescheept met een versie ervan die veel beter kan.

Ongelijke machtsverhoudingen en westerse overheersing van internationale ngo’s? De intenties van de grote ngo’s zoals Amnesty International en Greenpeace zijn er, maar een reeks verschillende factoren maakt het moeilijk om de macht binnen deze organisaties in evenwicht te houden. Sommige zijn gemakkelijk op te lossen, maar voor andere is een grondige verandering van culturele mentaliteit nodig. Wij spreken bijvoorbeeld nog steeds op een universele manier over seizoenen (bv. “zomercampagne”), terwijl veel landen niet dezelfde of helemaal geen seizoenen kennen. Dit betekent dat in de denkwijze het Noorden/Westen nog steeds het centrum van het universum is.

Tekortkomingen van de huidige HRBA:

  • Nog steeds weerstand om de sociale en economische rechten op dezelfde manier te omarmen als de sociale en politieke rechten.
  • Het Noorden van de wereld pakt de kwestie van de apartheid van de vaccins niet aan, zodat de pandemie het Noorden zal blijven achtervolgen zolang andere delen van de wereld kwetsbaar blijven.
  • De landen die het meest bijdragen tot het probleem van de klimaatverandering zijn niet de landen die er het meest door worden getroffen.
  • De vrees bestaat dat ngo’s steeds meer een “corporate character” gaan aannemen, als gevolg van de eisen die aan de financiering worden gesteld. In het bijzonder is men het er in brede kring over eens dat de verzelfstandiging ertoe heeft geleid dat ngo’s de voorkeur geven aan donors boven de verarmde gemeenschappen die zij in eerste instantie willen helpen. Als gevolg hiervan is het mogelijk dat ngo’s het vertrouwen van de gemeenschap verliezen, en gezien worden als organisaties die alleen korte-termijn oplossingen bieden die armoede op een systemisch niveau in stand houden.

Aanbevelingen aan Belgische ngo’s:

  • Steun de volksbewegingen of toon aan dat we hen zonder enige twijfel dienen! Zie vorig punt.
  • Luister beter naar de stemmen van het Zuiden! We hebben niet allemaal de antwoorden en verschillende vragen. We moeten gelijkwaardig zijn in hoe we naar elkaar luisteren en naar elkaar luisteren.
  • Intersectionaliteit omarmen: dit is het kostbaarste geschenk dat de mensenrechtenbeweging heeft gekregen, het niveau van betrokkenheid neemt toe, maar het is nog niet waar het moet zijn.
  • Verzet tegen de cultuur van ontkenning: cognitieve dissonantie van wat de regeringen zeggen en hoe zij bereid zijn daadwerkelijk te handelen. Iedereen moet er bij de regeringen op aandringen om met grotere urgentie op te treden.
  • Verzet tegen overvloed: we hebben een ongelijk consumptieniveau en we moeten dit aanpakken als een kwestie van mensenrechten. Onze wereld is eindig. Ook wat het meten van het BBP betreft, in die zin dat als je bossen kapt, dit positief is voor het BBP. De Belgische ngo’s moeten erkennen dat zij de daad bij het woord moeten voegen en ervoor moeten zorgen dat er een behoorlijke verontschuldiging wordt uitgesproken voor het klimaatkolonialisme en dat er compensatie komt.
  • Omarm creatieve onaangepastheid: We moeten een nieuwe beweging oprichten. Er is behoefte aan een nieuw denkkader voor technische bijstand, omdat je je niet creatief kunt aanpassen door de status quo niet te aanvaarden; na de wereldwijde financiële crisis moet er een systeemtransformatie komen in plaats van systeemherstel
  • Plezier maken: terwijl we strijden voor mensenrechten en sociale rechtvaardigheid, is het belangrijk vreugde te brengen in onze bewegingen.

Conclusie:

Het zwakke punt van elke soort activisme is dat we ons richten op rechten die mensen zijn ontnomen, en dat is een cruciaal uitgangspunt.  Maar we moeten ons ook concentreren op het opkomen voor alle rechten en op de macht die mensen nog steeds hebben. We moeten krachtige bottom-up projecten opzetten, zodat mensen kunnen werken aan wereldwijde gerechtigheid. Creatieve participatie! Spreek taal die resoneert met mensen en ontwikkel manieren om met die mensen te communiceren. Het ideologische staatsapparaat is een grote uitdaging, en daarom hebben we een mentaliteitsverandering en een bottom-up benadering nodig!

 

-> Presentatie van Kumi Naidoo in het Engels

Naima Charkaoui van 11.11.11

De RBA is een zeer goede aanpak, maar deze moet altijd worden uitgevoerd op een zelfkritische manier waarbij valkuilen als superioriteit, europeanisme, hypocrisie, etnocentrisme enz. altijd moeten worden vermeden. We moeten de mensenrechten zeker niet terzijde schuiven, maar ze opnieuw en op een andere manier grondvesten en ontwikkelen, daarbij rekening houdend met de machtsverhoudingen en de evenwichtige benadering van mens en natuur. Dit is een zeer actieve oefening.

Julien Truddaïu – Présence Action Culturelle

Ik denk dat we ook het woord “universeel” moeten dekoloniseren, omdat het bijna automatisch wordt gebruikt wanneer we het over mensenrechten hebben. Mensenrechten worden soms beschouwd als iets dat aan mensen wordt opgelegd. Etnocentrische menselijkheid en mensenrechten worden vandaag door de landen van het Zuiden gezien als een instrument van overheersing en België heeft vaak met twee maten gemeten. Te vaak wil het Westen het Zuiden morele lessen leren over alles. Het Zuiden de les lezen is gemakkelijk en nogal hypocriet aangezien in België zelf bijvoorbeeld de scheiding der machten niet doeltreffend is, er discrete en zelfs schandalige banden bestaan tussen het parlement, de regering en de rechterlijke macht.

In het koloniale verleden heeft België ook dat dubbele pad bewandeld. In haar grondwet zijn de mensenrechten verankerd, maar vervolgens in de kolonies nooit nageleefd en niet in diens grondwetten verankerd. Ook de ontwikkelingssamenwerkingssector zou hierop een gedecentraliseerde visie moeten hebben, een cultureel gedecentraliseerde kijk op de mensenrechten en kijken naar wat er elders gebeurt.

Dit betekent ook dat wij bijvoorbeeld moeten toegeven dat de filosofie niet alleen uit de Griekse oudheid stamt, maar dat Afrika hierin niet geïsoleerd was, en dat de filosofie ook daar vandaan kwam. We moeten de Afrikaanse geschiedenis opnieuw bekijken, want zolang wij westerlingen denken dat we alles hebben uitgevonden, denk ik niet dat we in de goede richting kunnen evolueren. We moeten de Afrikaanse bronnen van de mensenrechten, waarin in de 12e eeuw een aantal rechten werd vastgesteld, als een geldige bron aanvaarden. We moeten afstappen van de traditionele regelingen en overgaan op een cultureel gedecentraliseerde aanpak, want op dit ogenblik is die gebaseerd op het paternalisme van het Westen. Tijd om de internationale instellingen te hervormen als de hoeders van de rechten en het dominantiemechanisme af te schaffen.

Discussiepunten/belangrijkste punten die tijdens het debat aan de orde zijn gesteld

Publiek: In ons verlangen om de manier waarop we werken te veranderen, denk ik dat we iets kunnen toevoegen, een element dat al het andere verbindt: gelijkheid van mannen en vrouwen. Als we het over dekolonisatie hebben, moeten we het ook hebben over de-androgenisatie…. Omdat onze wereld vandaag gericht is op de man. Uitbuiting is een overblijfsel van de door mannen gedomineerde samenleving.

Kumi Naidoo: Hoe ga je om met machtsverschillen? We komen samen in wereldwijde bijeenkomsten en proberen te doen alsof we allemaal gelijk zijn, maar we onderkennen de machtsverschillen niet.  We moeten er openlijk over praten wat ze betekenen, ermee omgaan en verdergaan. Als burger van Zuid-Afrika is het moeilijk te zien hoe Europese landen volledig willekeurig omgaan met de Omikron-variant. (niet eens 100% zeker of het in Zuid-Afrika begonnen is)  In deze mondiaal verbonden wereld is het recht om te reizen een mensenrechtenkwestie en wij moeten onze regering en de Europese regering hierop aanspreken. De Omikron-discussie maakte het neo-imperialisme plotseling weer zeer relevant.

Hoe arbeidsrechten (vakbonds)activisten in feministen veranderen

Een verandering van perspectief op de mensenrechtenbenadering impliceert de integratie van de gelijkheid tussen man en vrouw. Aan de hand van het IAO-verdrag onderzochten we in deze sessie het geweld dat vrouwen ondergaan op het werk, zowel in de landbouw- als de huishoudsector. We identificeerden ook de mechanismen en problemen van geweld die een effect hebben op hun mensenrechten, zoals het recht op voedsel, het recht op gezondheid en veiligheid en seksuele en reproductieve rechten. We toonden aan hoe feministen, sociale bewegingen en vakbonden de strijd aangaan en welke successen ze al hebben geboekt.

 

Mee georganiseerd door: FOS, Le Monde selon les femmes en Solidagro

Gemodereerd door Pascale Maquestiau van Le Monde selon les femmes et Fairouz Gazdallah de Solidagro

Video-getuigenissen van Leddy Mozombite, voorzitter van een Peruaanse vakbond die huishoudelijk personeel verenigt en opkomt voor hun (arbeids)rechten. Hun campagnes leggen onder andere de nadruk op verschillende gendergerelateerde arbeidsrechten, zoals zwangerschapsverlof en de bestrijding van geweld en intimidatie op het werk.

 

1. FENTTRAHOP

2. Nieuwe wet en moederschap

3. Mobilisatie 

4. Emancipatie

5 Conventie 189

6. Uitdaginen

7. C190 als nieuwe strijd

Videos becommentarieerd door Magali Verdier, vormingswerker bij MOC Brussel

Ik doe de begeleiding van huishoudelijk personeel zonder papieren in hun vakbondsstrijd voor hun sociale en economische rechten (het verkrijgen van een wettelijke status). Mijn rol is om de vakbond te ondersteunen, de vakbond is een collectief verdedigingsmechanisme voor werknemers zonder papieren.

 

De continuïteit van geweld is een realiteit. Als de mensen zonder papieren samenwerken kunnen hun rechten beter verdedigd worden en hun lonen opgekrikt worden. De huishoudwerksters zijn inderdaad zeer onzichtbaar want ze werken niet in publieke plaatsen, het veld of grote privébedrijven, maar achter gesloten deuren, opgesloten in huizen. We moeten een manier vinden hoe we die vrouwen in contact kunnen brengen met elkaar, het zijn vaak allemaal migrantenvrouwen en op die manier kunnen ze een gemeenschap vormen. OP dit moment zijn er 150.000 sans papiers. Het doel van de collectieve strijd is dus het zichtbaar maken van vrouwen die opgesloten zijn in de huizen. Er zijn verschillende klassen en daar moeten we rekening mee houden. Ze hebben geen toegang tot sociale zekerheid en dan is er ook nog het probleem van het geslacht (intersectionaliteit). Naast het feit dat ze vaak alleen gemigreerd zijn (vaak gescheiden vrouwen), hebben ze vaak als gemeenschappelijke ervaring dat ze slachtoffer zijn geworden van geweld. Migrantenvrouwen zonder papieren hebben niet veel rechten, net door het feit dat ze geen papieren hebben. We zouden ze moeten betalen zoals mensen met papieren, zodat ze dezelfde rechten krijgen die ze nodig hebben, ziekteverzekering, recht op vakantie etc. We moeten die vrouwen gaan sensibiliseren om een klacht in te dienen als ze die rechten niet krijgen aangezien ze vaak denken dat ze dit niet kunnen omdat ze geen papieren hebben. De deskundige en feministische analyse van de geleefde ervaring heeft ook nood aan een politieke analyse en net daarom is het belangrijk te onthouden dat het geen individueel, maar collectief verhaal is. We zien dat in de thuiswerkbeweging steeds meer vrouwen een plaats innemen. Er is een netwerk gekomen van informele solidariteit dat als steun  diende tijdens de Corona-periode.

De vrouwen hebben vaak geen mogelijkheid om even uit te rusten, werken hele lange uren en hebben het heel zwaar zonder dat er iets voor teruggegeven wordt. Er bestaan wel degelijk rechten die hen hiertegen beschermen, maar die worden gewoon niet toegepast. Met het maatschappelijk veld en door middel van advocacy willen we die toepassing wel krijgen.

We doen onderzoek en enquêtes en leggen ze voor aan politiekers.

Sommigen krijgen dan uiteindelijk wel papieren (na 5-20 jaar), maar dan wordt hun pension bijvoorbeeld niet erkend omdat ze zonder papieren werkten voor een groot deel van de tijd. Er is ook geen formalisering van rechten dus de vrouwen werken vaak 50-60 uur per week en krijgen 3 euro dus om te overleven moeten ze meer werken dan normaal. Zonder formalisering van rechten, is er ook geen realisatie. Een juridische benadering volstaat echter niet, want er moet een engagement zijn van de werkgevers om te komen tot wettelijke loonaangelegenheden.

Door het bezuinigingsbeleid kan de middenklasse niet voor haar bejaarden zorgen, zodanig dat ze meer en meer beroep moeten doen op huishoudelijke hulp.

 

Discussie: Verbeteringspositie die voordelig zou kunnen zijn voor de werkgevers? Er is ook bij sommige werkgevers een goede wil, we zouden een strategie moeten hebben om de werkgevers te sensibiliseren. Er is soms een paradox wanneer de werkgevers de sans papiers wel tewerk willen stellen, maar ook niet omdat ze niet dezelfde rechten krijgen van de staat. à de oplossing is dus het regulariseren.

Video-getuigenis van Victorine Nzyavake Vasianirya, boerin, agro-ecologist en nationaaldirectrice van de Nationale Boerenacademie in DR Congo (ANPC)

Video becommentarieerd door  Marie Caraj, experte op het gebied van de beschermingvan mensenrechtenverdedigers,werkervaring met Peace BrigadesInternational (PBI) en ProtectionInternational (PI)

Mensenrechtenverdedigers treden vaak niet naar de voorgrond, aangezien ze een balans moeten maken tussen wat legaal en juist is en wat de orde verstoort en hen gevaar kan doen lopen. Ze moeten in het  actie voeren dus die grenzen aftasten aangezien er heel wat economische en politieke belangen zijn die ze niet mogen verstoren of exposeren. Ze hebben wel de mogelijkheid om werk te doen dat in sommige delen erkend en gelegitimeerd zijn voor vrouwen, ze staan wel in contact met de overheid, maar verstoren ook vaak de orde en krijgen niet de nodige dekking om problemen aan te pakken die kunnen resulteren in geweld. Met ander woorden hebben ze steun, maar geen bescherming en lopen ze dus risico’s. Niet iedereen is overtuigd van de kracht en de legitimiteit van hun werk. OM die reden geven we de voorkeur aan gemeenschappelijk werk met internationale ngo’s die samenwerken ook met ngo’s ter plaatse. Het land (DRC) kent veel conflicten en een intensieve strijd tegen straffeloosheid. Veel activisten hebben ook geen onderdak meer omdat ze zich moeten verstoppen. Wat kunnen we doen om met internationale en nationale ngo’s steun en hulp te bieden en de mensenrechtensituatie te veranderen?

 

Psychosociale gevolgen van het geweld: we hebben nood aan individueel en collectief empowerment. Dit kan je zelfzekerheid vergroten om voor jezelf op te komen. In België staan we nog nergens met seksueel geweld en de posttraumatische stress. Het is moeilijk om te erkennen dat je gezondheidsproblemen hebt. De zekerheid en vertrouwen in bescherming is groter als je in groep bent, het is een gemeenschappelijk belang. We moeten nadenken over angst, waarom durven sommige mensen iets zeggen en anderen niet? Empowerment gebeurt op een subtiele manier, een beetje bij beetje. Op het einde van een vorming/proces komen we vaak dingen te weten (bijvoorbeeld dat familieleden vermoord zijn) waar ze in het begin niet voor durfden uitkomen omdat ze dachten dat het niet belangrijk was. Dit willen we doen, zekerheid geven zodat de vrouwen de dingen die belangrijk voor hen zijn kunnen uitdrukken. Een persoon als Victorine stelt zichzelf bloot als mensenrechtenverdediger en voelt zich verantwoordelijk voor wat er gebeurt met haar collega’s op straat, daarbij draagt ze ook de verantwoordelijkheid voor haar familie en vrienden, waardoor de mentale last voor haar alleen enorm is. Om de mentale last niet allemaal op één persoon te leggen, hebben we een psychosociaal traject nodig voor de hele gemeenschap.

Verdediging van mensenrechten om in een duurzame en rechtvaardige samenleving te leven

Om in een duurzame en rechtvaardige samenleving te kunnen leven, hebben we nood aan mensen en organisaties die de fundamentele rechten van iedereen verdedigingen, te beginnen met die van mensen die zich in een kwetsbare situatie bevinden. De afgelopen jaren werden we echter in verschillende delen van de wereld geconfronteerd met beleid dat de ruimte voor het maatschappelijk middenveld heeft ingeperkt, alsook het steeds frequenter aanvallen en intimideren van mensenrechtenverdedigers. Deze sessie vestigde de aandacht op het werk van mannen en vrouwen die dagelijks opkomen voor fundamentele rechten en actief bijdragen aan positieve maatschappelijke ontwikkelingen voor het welzijn van mensen. Hoe belangrijk zijn deze mensen en organisaties voor maatschappelijke veranderingen? Hoe gaan ze te werk? Op welke grenzen en hinderpalen botsen ze hierbij? Wat kunnen wij als internationale organisaties doen om hen te beschermen en op de voorgrond te plaatsen? Welke rol kunnen Europese of lokale overheidsinstanties spelen om hun werk aan te moedigen?  

 

 

Mee georganiseerd door: ACV, Commission Justice et Paix, KIYO en WSM

Gemodereerd door Alejandra Mejia Cardona van Commission Justice et Paix

Balzac Buzera Ntazongwa, verantwoordelijk voor de programma’s van Protection International in Bukavu (DR Congo)

Mensenrechtenverdedigers spelen een belangrijke rol bij de opbouw van duurzame en rechtvaardige samenlevingen. Hoewel de universele mensenrechten en de rol van mensenrechtenverdedigers verankerd zijn in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948, worden ze in de praktijk niet altijd toegepast. Mensenrechtenverdedigers zijn de steunpilaren van onze samenlevingen. Zij bestrijden misdaden en schendingen van de fundamentele rechten. Zij zijn actoren van verandering en nemen risico’s in de strijd voor gelijkheid en gerechtigheid en om rechten te herstellen die overal ter wereld zijn geschonden (repressieve maatregelen, ontheemding, gebruik van geweld, enz.). Deze verdedigers (waaronder hele gemeenschappen) mobiliseren zich vreedzaam, zonder geweld, om te werken aan verandering in de samenleving. Protection International treedt overal ter wereld op om deze mensenrechtenverdedigers te beschermen, door middel van opleiding, politieke actie en bewustmaking. De prioriteit ligt in het verhogen van een aantal wettelijke kaders en deze toe te passen om verdedigers beter te beschermen.

Yves Makwambala, burgerbeweging LUCHA (DR Congo)

LUCHA is een burgerbeweging in DR Congo die de Congolese bevolking hoop wil geven door vreedzame protestacties te voeren met behulp van vernieuwende actiestrategieën. LUCHA is actief over het hele land en brengt honderden jongeren bijeen die zich inzetten voor een meer solidair alternatief maatschappijmodel. Veel van deze activisten zitten of zaten in de gevangenis als gevolg van vreedzame protestacties.  Yves belandde in de gevangenis bij de lancering van het Filimbi platform als onderdeel van de bewustmakingscampagne voor jongeren. Hij leeft nu in ballingschap maar is van plan zijn engagement voort te zetten en zo de grenzen te omzeilen.  LUCHA is ook actief op sociale media, wat veel succes heeft bij bepaalde politieke besluitvormers. Veel jongeren identificeren zich met LUCHA, wat hoop geeft aan een hele generatie. LUCHA heeft ook een kring van sympathisanten, die minder betrokken zijn bij de frontlinie, maar die hen bijstaan en bijdragen tot hun succes.

Pulchérie Gbalet (Ivoorkust). Vakbondsvrouw sinds 2004 en leider van het maatschappelijk middenveld sinds 2017 met de oprichting van het Forum des Organisations de la Société Civile Ivoirienne (FORSCI). President van Alternative Citoyenne Ivoirienne (ACi)

De rechtsstaat wordt in Ivoorkust niet geëerbiedigd. Mensenrechtenactivisten worden onderworpen aan repressie en worden vaak van hun vrijheid beroofd.  Toen de president in 2020 aankondigde hij voor een derde termijn aanbleef, waren er demonstraties en werd Pulcherie voor 8 maanden in hechtenis genomen. De mensenrechtenverdedigers moeten worden beschermd door te investeren in preventie. Zij moeten worden opgeleid in elektronische en fysieke veiligheid. In het land zijn heel wat mensen ontheemd. Ze hebben geen bescherming en weten vaak niet waar ze heen moeten. Zij moeten worden geholpen om zich meer te organiseren in comités, zodat hun rechten worden geëerbiedigd.

Alice Munyerenkana Mugisho, jonge reporter (DR Congo, Bukavu), animatrice binnen een jeugdbeweging

Alice coördineert een groep jongeren die zich inzetten voor de rechten van jongeren en kinderen in Bukavu. Deze groep strijdt, via radio-verslaggeving, tegen straffeloosheid voor misdaden en corruptie. Het zijn opiniemakers die jongeren in staat willen stellen zich uit te drukken en hun autonomie en sociale samenhang op te eisen. Ze brengen jongeren samen, zodat ze gemeenschappelijke projecten kunnen opzetten. Zij willen in contact komen met jongeren uit de hele wereld, om hun hoop als wereldburgers te delen.

Issa Sissouma, directeur-generaal van de Union Technique de la Mutualité (Mali)

Het recht op sociale bescherming en sociale zekerheid wordt in Mali erkend en het maatschappelijk middenveld is op zeer concrete wijze betrokken bij de verwezenlijking ervan. De Staat wou namelijk dat het maatschappelijk middenveld zich zou organiseren voor de verwezenlijking van dit recht. Zo werkt het maatschappelijk middenveld mee aan diverse overheidsprogramma’s. Dit alles is bij wet geregeld. De eerste ziekteverzekeringsstelsels werden opgezet door het maatschappelijk middenveld, met name voor de informele sectoren, maar nu willen we naar een uitbreiding tot alle sectoren. Door de capaciteit van de actoren van het maatschappelijk middenveld te versterken en tegelijkertijd de dialoog met de staat in stand te houden, kan dit bereikt worden. Met het werk van INSP in Mali willen we een verenigd front vormen zodat het uitoefenen van dit recht gewaarborgd wordt. Er is geen sprake van intimidatie van het laatschappelijk middenveld omdat zij hand in hand werkt met de staat voor het welzijn van iedereen. Verschillende actoren uit het maatschappelijk middenveld werken samen om het recht op sociale bescherming uit te breiden.

Discussiepunten/belangrijkste punten die tijdens het debat naar boven kwamen

– Zou de sleutel tot het effectief optreden van mensenrechtenverdedigers in een veilige omgeving, kunnen liggen in meer samenwerking met overheidsactoren, maar ook met bedrijven? (tripolair model van gedeeld bestuur tussen deze drie actoren).

– Het is absoluut noodzakelijk meer te weten over de uitdagingen en inzet van de strijd van de verschillende mensenrechtenverdedigers. De uitwisseling van informatie en het delen van ervaringen is essentieel om de solidariteit te bevorderen en om de goede tips en trucs van elke activistengroep te kennen.

– de actoren, die de verschillende strijden kunnen ondersteunen, moeten worden geïdentificeerd.

– We hebben waarschuwingsmechanismen nodig, via sociale media. We moeten technologie gebruiken en protocollen vinden om alarm te slaan om verdedigers beter te beschermen.

– Een mensenrechtenverdediger zal eerst proberen de staat te benaderen om zijn of haar zaak gehoord te krijgen…zo niet, dan kan hij of zij (vreedzame) actie ondernemen

– Mensenrechtenverdedigers moeten overheden inspireren om te streven naar meer sociale rechtvaardigheid.

Conclusie

Een vreedzame manier van optreden van mensenrechtenverdedigers moet de regel blijven. Zij moeten zonder schuld zijn, hetgeen hen sterker maakt ten opzichte van het geweld waaraan de staat zich mogelijk schuldig maakt. Het is ook nodig om de strijd te verbreden en ook andere bewegingen en mensen uit te nodigen om mee op te komen voor de rechten.

Het is ook noodzakelijk de strijd te internationaliseren, om nog betere machtsverhoudingen tot stand te brengen.

Hoe verzekeren we de effectieve deelname van sociale bewegingen aan belangenbehartiging op lokaal en mondiaal niveau?

Sociale bewegingen staan centraal in de strijd voor een duurzame ontwikkeling en sociale- en ecologische rechtvaardigheid. Desondanks worden deze bewegingen vaak over het hoofd gezien en/of missen ze visibiliteit en legitimiteit wanneer het gaat om de verdediging van mensenrechten van personen en leefgemeenschappen, zowel op lokaal, nationaal, regionaal als internationaal niveau. In samenwerking met onderzoekers en vertegenwoordigers van verschillende sociale bewegingen, bespraken we succesvolle werkmethoden en onderzochten we de verschillende manieren waarop sociale bewegingen op een doeltreffende manier kunnen bijdragen aan de verdediging van rechten op alle niveaus.

 

Mee georganiseerd door CNCD-11.11.11, FIAN Belgium, SOLSOC en Viva Salud

Gemodereerd door Nathalie Janne van CNCD-11.11.11

Sociale bewegingen staan centraal in de strijd voor duurzame ontwikkeling en sociale en milieurechtvaardigheid. Desondanks worden deze bewegingen vaak over het hoofd gezien en/of kennen ze weinig zichtbaarheid en legitimiteit als het gaat om de verdediging van de mensenrechten van individuen en gemeenschappen, zowel op lokaal, nationaal, regionaal als internationaal niveau. In samenwerking met onderzoekers en vertegenwoordigers van verschillende sociale bewegingen bespraken we in deze sessie succesvolle werkmethoden en verkenden we de verschillende manieren waarop sociale bewegingen effectief kunnen bijdragen aan de verdediging van rechten op alle niveaus.

 

1) Voor welke uitdagingen staan sociale bewegingen bij hun pleitbezorging en mobiliseringswerk op lokaal, nationaal, regionaal en internationaal niveau?

 

2) Hoe gaan sociale bewegingen om met de uitdagingen waarmee zij worden geconfronteerd? Welke mechanismen kunnen worden ingezet om deze problemen op te lossen?

Jan Sandig, postdoctoraal onderzoeker in vredes- en conflictstudies en lid van het INFRAGLOB-project aan de leerstoel voor sociologie van Afrika

Noordelijke NGO’s en het risico van badvocacy:

  • NGO’s als derde partij: machtige poortwachters die bepalen welke stemmen en onderwerpen worden aanvaard in de pleitbezorging
  • Ongelijke verdeling van middelen
  • Paternalisme en legitimiteitsproblemen
  • NGO’s moeten zelfkritisch zijn (zoals sommige al zijn) en hun dominante positie en vaak beperkte legitimiteit, erkennen waarmee ze namens getroffen mensen spreken.

 

Belang van de participatie van de “meest getroffenen” aan internationale organisaties. Veel multilaterale organisaties kennen een legitimiteitsprobleem en betrekken daarom  sociale bewegingen om hun legitimiteit te vergroten. Sociale bewegingen en NGO’s moeten oppassen dat zij niet worden gecoöpteerd in besluitvormingsruimten, waar ze weinig impact hebben en vooral dienen om het imago van multilaterale instellingen op te smukken.

 

Het is niet altijd gemakkelijk om NGO’s van sociale bewegingen te onderscheiden. Je kunt ideale types proberen definiëren, maar het is waarschijnlijk beter om ze als een spectrum te zien met sommige entiteiten die kenmerken van beide soorten actoren dragen.

Geneviève Savigny, Via Campesina (Frankrijk)

Hoe kunnen wij als NGO’s samenwerken met sociale bewegingen?

  • Je moet elkaar kennen. Je moet weten hoe ze werken, wat hun structuren zijn, wat hun middelen zijn, wat de relatie is met de machtsstructuren op lokaal/regionaal/mondiaal niveau, …
  • Discussie en dialoog zijn van cruciaal belang in sociale bewegingen. Het kost tijd en het kan langzaam gaan, maar daar moet rekening mee worden gehouden.
  • Respecteer sociale bewegingen als autonome organisaties die zichzelf kunnen besturen. Er kunnen verschillen zijn in structuren, geschiedenis, strategische prioriteiten, … en deze diversiteit moet worden erkend.
  • Er kan een verschil zijn in taal of discours en dit moet worden gerespecteerd.
  • Werk vanuit het idee van partnerschap, niet vanuit het idee van instrumentalisering.
  • Samenwerken met NGO’s die dezelfde visie delen.

 

De Verklaring inzake de Rechten van Boeren (UNDROP) is voortgekomen uit een bijzondere strijd tegen landroof in Indonesië. Zij hadden wettelijke middelen nodig om zich te verzetten. NGO’s (FIAN en CETIM) hebben de boerenbeweging advies gegeven over bestaande fora en instrumenten die nuttig zouden kunnen zijn.

  • Je hebt een bepaalde institutionele taal nodig die door NGO’s kan worden gefaciliteerd. Zij kunnen fungeren als tussenpersonen tussen de bewegingen en de plichtdragers, maar mogen de plaats van de sociale bewegingen niet innemen.
  • Je hebt wederzijds respect nodig. NGO’s die functioneren in de wandelgangen van de macht.
  • Je hebt ook middelen nodig en veel kennis en capaciteiten. NGO’s kunnen er soms aan bijdragen voor bepaalde projecten.
  • Sociale bewegingen mobiliseren zich rond bepaalde eisen. De steun van NGO’s kan nuttig zijn voor de duurzaamheid en de structurering van de mobilisaties

 

Eén vraag moet voor ogen worden gehouden: welke belangen hebben NGO’s? Sociale bewegingen weten heel goed wat hun belangen zijn, maar we zien dat sommige NGO’s worden gefinancierd door particuliere actoren die tegengestelde belangen hebben. Het is belangrijk hiermee rekening te houden.

Kat Berza – Council for Health and Development (Filippijnen)

De grootste uitdaging in de Filippijnen is een regering die een heksenjacht op de progressieve gezondheidssector sponsort. Mensenrechtenschenders blijven ongestraft, wat een grote invloed heeft op de ruimte voor sociale bewegingen om hun kritische werk te doen.
→ dit creëert een klimaat van angst onder de sociale organisaties. De krimpende ruimte is een zeer groot obstakel voor sociale bewegingen in de Filippijnen.

  • Tegelijkertijd is de democratische beweging op de Filippijnen sterk en verenigd. Er is een echte intersectie tussen strijd.
  • NGO’s kunnen er mee helpen voor zorgen dat de sociale bewegingen in de Filippijnen meer legitimiteit krijgen.

 

CHD heeft nooit zijn basisprincipe losgelaten door vast te houden aan zijn strategie ‘Arouse, Mobilize and Organize’. De context is sterk veranderd, maar wij concentreren ons op de essentie van ons werk.

  • Onderdompeling van de doelgroepen, zodat zij de context van de getroffen gemeenschappen leren kennen.
  • Aansluiting bij internationale organisaties om de internationale solidariteit te vergroten.
  • Het verzet van de bevolking is van cruciaal belang, maar ook de hulp van de internationale gemeenschap die zich kan uitspreken wanneer de mensenrechten worden geschonden.
  • Internationale druk met een sterke nationale beweging is nodig om dingen te veranderen.

Alaa Talbi, FTDES (Tunesië)

De uitdagingen voor de sociale bewegingen in Tunesië zijn niet gering:

  • Sociale bewegingen zijn gericht op hun specifieke strijd. Zij zoeken naar oplossingen voor specifieke problemen. Daardoor is er vaak een gebrek aan duurzaamheid. Er is weinig convergentie tussen de sociale bewegingen: zij moeten in een netwerk worden ondergebracht om tot een collectieve analyse te komen.
  • Je hebt kleine overwinningen nodig om vooruit te komen, maar je moet je richten op de lange termijn en de economische structuren als geheel proberen veranderen. Je hebt een systemische aanpak nodig en geen kleine overeenkomsten of stappen.
  • Contact leggen met de media is niet gemakkelijk. je hebt mediakanalen nodig die je zaak ondersteunen. Je hebt ook opleidingen nodig voor de leiders van sociale bewegingen.
  • De criminalisering van sociale bewegingen beperkt de acties.
  • Identiteit van sociale bewegingen ten opzichte van NGO’s: er moet een evenwicht zijn en een goede relatie die beide versterkt. De betrekkingen tussen sociale bewegingen en NGO’s moeten gebaseerd zijn op vertrouwen.
  • Je moet convergeren met andere structuren en bewegingen die ook werken aan systemische verandering.

 

Wat moeten we doen?

  • De opkomst van sociale protestbewegingen, die zich op bepaalde kwesties concentreren, ondersteunen. Verschillende doelgroepen bijeenbrengen die door een bepaald probleem worden getroffen.
  • Werken aan de continuïteit van sociale bewegingen door deze te koppelen aan het onderzoek van academici.
  • Op verschillende niveaus werken: onderhandelen, lobbywerk, gerechtelijke klachten, mediawerk en verschillende bewegingen samenbrengen. Desondanks, moet het aan de bewegingen zijn om te beslissen. Degenen in het veld moeten het laatste woord houden.
  • Convergentie van strijd (intersectionaliteit) is belangrijk: we moeten allianties sluiten met andere actoren die op het eerste gezicht misschien niet onze visie en doelstellingen delen (liberale organisaties die zich richten op individuele vrijheden bijvoorbeeld tegenover politieke organisaties en op sociaal-economische rechten). Volgende week wordt een forum van de sociale bewegingen georganiseerd om dat soort banden te bevorderen.

Video-getuigenis in het Frans van Amina Zair, voorzitster van “Action Femmes des Associations des Quartiers du Grand Casablanca”.

Video-getuigenis van Sinan Ouattara, activist en landbouwingenieur. 

Discussiepunten/belangrijkste punten die tijdens het debat aan de orde zijn gesteld

Hoe kan een continuïteit in de vertrouwensrelaties tussen NGO’s en sociale bewegingen worden gewaarborgd wanneer persoonlijke relaties de basis van het vertrouwen vormen? Met het vertrek van bepaalde personen wordt deze relatie vaak verbroken.

→ Het is belangrijk dat leiders van sociale bewegingen over een stabiele context beschikken, zodat zij in hun positie kunnen blijven, ook nadat de specifieke oplossingen voor hun mobilisatie zijn bereikt.

Het is ook belangrijk te werken met mensen die geëngageerd zijn voor hun werk – werk rond de status van “werknemer/activist”.

Conclusie door Jan Sandig & Stéphanie Lecharlier

  • Capaciteitsopbouw: steun tussen NGO’s en sociale bewegingen, geworteld in gemeenschappelijk/wederzijds begrip en op lange termijn
  • Vertegenwoordiging van de zwaarst getroffenen: vermijden de besluitvormings- en onderhandelingsruimte op te eisen, en de zwaarst getroffenen en de sociale bewegingen (en niet alleen de elites), erbij betrekken zodat hun vertegenwoordiging gewaarborgd wordt.
  • Netwerken: convergenties tot stand brengen en onderhandelen over een gemeenschappelijke agenda (we moeten een wereldwijde alliantie opbouwen)
  • Verzet is van cruciaal belang: nood aan acties op het terrein, externe actoren die toekijken en transnationale solidariteit
  • Veel sociale strijden hebben er baat bij politieke bondgenoten te hebben: meer onderhandelen met politieke actoren (politieke partijen bijvoorbeeld)
  • Als wij als NGO’s sociale bewegingen willen begeleiden, zullen wij ons moeten opstellen als decoloniaal, bescheiden en bewust van het feit dat hulpbronnen en financiële middelen een ongelijke machtsverhouding met zich mee kunnen brengen, …

Empowerment: individuele capaciteiten versterken of werken aan sociale verandering?

De sector van ontwikkelingssamenwerking omarmt al vele jaren enthousiast het idee van ‘empowerment’. Het staat centraal in de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties en is prominent aanwezig in het discours van NGO’s en internationale organisaties. Empowerment wordt vaak begrepen als het versterkingsproces van de capaciteiten van individuele mensen om de controle over hun leven te vergroten. Maar wat betekent ‘empowerment’ in de context van de rechtenbenadering? Hoe passen organisaties de strategie van ‘collective empowerment’ toe in de praktijk? Kan het een effectieve methode zijn voor sociale verandering en maatschappelijke overwinningen?

 

Mee georganiseerd door Solidagro en Viva Salud

Gemodereerd door Fairouz Gazdallah van Solidagro en Jasper Thys van Viva Salud

Empowerment neemt een zeer prominente plaats in in het discours van ngo’s en internationale ontwikkelingsorganisaties. Het wordt vaak opgevat als een “proces van versterking van individuele capaciteiten”. Het concept kent een lange geschiedenis.  De oorsprong ervan ligt bij de jaren ’60 bewegingen (bv. studenten- en vrouwenbeweging) en de onderzoeksbewegingen (bv. politiek/filosofisch) die voorrang gaven aan het standpunt van achtergestelde groepen en de radicale verandering van de machtsstructuren in de samenleving voor ogen hadden. Nadat het was voortgekomen uit sociale en radicale bewegingen, werd het opgepikt door grote internationale instellingen zoals de VN en werd het gebruikt als top-down model voor economische groei. In de jaren ’90 kwam het concept zeer centraal te staan in het geïnstitutionaliseerde discours over vrouwen in ontwikkeling. Later werd het meer en meer gebruikt in het de context van de armoedestrijd. Tegen het einde van de jaren negentig was het een vast gegeven en werd het vaak gebruikt door de VN, de Wereldbank, enz. Er is veel kritiek op het gebruik van het concept omdat de internationale instellingen er een zeer individualistische betekenis aan hebben gegeven, de harmonieuze visie op macht ermee hebben bevorderd, en er een concept van hebben gemaakt dat in dienst staat van de status quo. Zij vragen niet ‘wat ontwikkeling kan doen voor arme mensen’, maar ‘wat arme mensen kunnen doen voor ontwikkeling’. Omdat het door zoveel verschillende actoren wordt gebruikt, wordt het vaak omschreven als een ‘buzzword’ dat zijn oorspronkelijke betekenis verloren heeft. Het concept moet nadruk leggen op het ontwikkelen van een collectieve tegenmacht om de machtsstructuren te veranderen en van een kritisch bewustzijn bij gemarginaliseerde groepen.

 

Belangrijkste vragen:

– Wat kan empowerment betekenen in de context van de RBA?

– Moeten we het begrip ‘empowerment’ eenvoudigweg verwerpen of afschaffen, en er een nieuwe term voor in de plaats stellen? Of moeten we er opnieuw in investeren en de oorspronkelijke betekenis ervan herstellen?

Kat Berza, Council for Health and Development Filipijnen

(CHD Filipijnen)

Privatisering van de gezondheidszorg in de Filipijnen: een fataal recept

Wat is privatisering? Privatisering is het opgeven van de verantwoordelijkheid van de staat om de gezondheid van de mensen te waarborgen en het omvormen van openbare gezondheidsdiensten en  -instellingen tot ondernemingen met winstoogmerk. Privatisering is niet alleen een antwoord op begrotingsmoeilijkheden en niet alleen om staatsbedrijven van de hand te doen, maar zorgt er ook voor dat gezondheidsdiensten als bedrijven worden gerund om inkomsten te genereren.

De uitdaging is om “de rol van de overheid opnieuw te definiëren”. De rol van de internationale financiële instellingen (IFI’s) – de Wereldbank (WB) en het Internationaal Monetair Fonds (IMF) in het privatiseringsproces in de derde wereldlanden laat duidelijk zien hoe dit de soevereiniteit van deze landen ondermijnt.

Privatisering verandert publieke gezondheidsdiensten in een onderneming, waardoor gezondheid een duur goed wordt, dat enkel de rijken zich kunnen veroorloven en het niet langer een recht is dat ook voor de armen toegankelijk moet zijn. Deze ongelijkheid leidt tot een intensivering van hun ontbering en marginalisering. Patiënten worden behandeld als ‘klanten’ en de ‘business’ draait op goedkope arbeidskrachten, wat leidt tot onderbetaalde en overwerkte gezondheidswerkers,  uitbesteding, uitzendkrachten en werkopdrachten.

Privatisering kan gebeuren via een grote verscheidenheid van mechanismen en processen (rechtstreekse verkoop, publiek-private samenwerking, privatisering van de exploitatie of omvorming van een openbaar ziekenhuis tot een vennootschap of een door investeerders gestuurde omvorming, …)

De gevolgen van de privatisering van de gezondheidszorg voor de bevolking en de gezondheidswerkers zijn enorm.

Wie een betere toekomst wil, moet actie ondernemen:

Onze dringende taken: Een sterkere eenheid creëren onder gezondheidswerkers en organisaties in publieke en privéziekenhuizen; het grootste aantal mensen, de gezondheidssector, gemeenschaps-, geloofs- en andere servicegerichte groepen, organisaties en individuen verenigen en mobiliseren om te strijden tegen de privatisering van openbare ziekenhuizen; protestacties blijven voeren tegen de misleidende en verdeeldheid zaaiende tactieken van de autoriteiten; samenwerken met andere gezondheidswerkers en sectoren voor gemeenschappelijke sectorale en nationale bekommernissen zoals privatisering, gezondheidsbegroting; steun krijgen van de wetgevers, de massamedia, het grote publiek en de internationale gemeenschap; en campagnes lanceren over verschillende kwesties in verband met het recht van de mensen op gezondheid.

 

SENSIBILISERING: bijvoorbeeld: Studenten gezondheidswetenschappen uit de stad gaan naar het platteland om boeren te helpen, zij verdiepen zich in het dagelijkse leven van de boeren, zijn getuige van de gezondheids- en sociaal-economische problemen daar en zijn daarna gemotiveerd om zelf in de arme gemeenschappen en op het platteland te gaan werken en deel te nemen aan de uitoefening van onze democratische rechten om een holistische en echte sociale verandering teweeg te brengen.

ORGANISEREN: structureel inzicht in wat moet worden gedaan voor sociale verandering; gezondheidswerkers in de gemeenschap worden opgeleid om mensen voor te lichten over gezondheidsdiensten.

MOBILISERING: studenten gezondheidswetenschappen gaan naar het platteland waar hulp het hardst nodig is. Nadat zij getuige zijn geweest van de gezondheidsproblemen op het platteland, komen ze samen om te protesteren en actie te ondernemen, zoals een manifestatie voor de senaat.

Campagnes zoals die voor gratis nationale gezondheidszorgstelsels; “gezondheidswerkers onder vuur” om op te komen voor het slachtoffer van de krimpende maatschappelijke ruimte, de artsen en verpleegkundigen die worden gedood en om ons als gezondheidswerkers te verenigen om onze stem te laten horen; en #TRIPSwaivernow voor gelijke toegang tot vaccins

 

-> Presentatie van Kat Berza in het Engels

Lorena Villareal, medewerker institutionele capaciteitsontwikkeling bij het Filipijnse netwerk van voedselzekerheidsprogramma’s (PNFSP)

Vooruitgang in de strijd tegen de rijstliberalisering door empowerment van de gemeenschap. 

 

Rijstsituatie in de Filipijnen: 7 op 10 boeren op het platteland van de Filipijnen bezitten niet de grond die zij bewerken. Vaak gaat meer dan 75% van wat zij oogsten naar de landeigenaar, een systeem dat een boerenbevolking met schulden in stand houdt, waarbij de boeren nauwelijks kunnen overleven. De concentratie van Filipijnse landbouwgrond in de handen van oligarchen en de frauduleuze verdeling van de grond neemt nog toe, waardoor de eigenlijke grondbezitters de vruchten van hun productief gemaakte grond wordt ontnomen en de voedselzekerheid van het land wordt bedreigd. Rijst kan veel goedkoper worden en het land kan volledig zelfvoorzienend worden als alleen de boeren over eigen land beschikken, er voldoende steun, subsidies en faciliteiten waren voor de rijstboeren van het land. Echter, sinds de Filipijnen bijna drie decennia geleden toetraden tot de WTO AoA (World Trade Organization Agreement on Agriculture), heeft het regime het neoliberalisme onderschreven, wat wil zeggen dat de liberalisering in de landbouwsector (vrije handel en wereldwijde concurrentievermogen) ten koste gaat van de Filipijnse boeren. Het sluiten van deze overeenkomst had tot gevolg dat de plaatselijke rijstindustrie niet werd beschermd, dat de rijstimport de plaatselijke markten overspoelde en dat de kleinhandelsprijzen van rijst op het platteland snel verdubbelden en zelfs verdrievoudigden.  Het dwong miljoenen arme Filipino’s tot chronische honger, via vermindering van de consumptie.

 

De regering verdoezelt haar verantwoordelijkheid voor de achterstand van de landbouwsector als gevolg van haar langdurige verwaarlozing. Het regeringsbeleid inzake land en voedsel, zoals de liberaliseringswet voor rijst van 2019 (RLL), het rekenen op ingevoerde landbouwproducten, het toestaan van ongebreidelde omschakeling van landgebruik en een gebrekkige landhervorming verergeren de gevolgen van deze verwaarlozing alleen maar en heeft  de hoeveelheid rijst die zij ter plaatse aankoopt gereduceerd tot loutere buffervoorraden voor noodgevallen. Het Rice Competitive Enhancement Fund (RCEF) wil het concurrentievermogen van de boeren verbeteren door mechanisatie, distributie van zaden en opleidingen, maar dit blijft beperkt en kan de schuldenlast van de landbouwers zelfs verergeren als ze niet genoeg inkomsten genereren.

 

Als reactie op dit alles heeft de PNFSP samen met leden van de Agroecologie X beweging en andere groepen besloten om de Nationale Top van de regering over Voedselzekerheid te boycotten in de strijd tegen de rijstliberalisering, die volgens hen niet in staat zal zijn om de problemen aan te pakken die de landbouwsector momenteel teisteren.

 

Het PNFSP is samen met geallieerde organisaties van Bantay Bigas (Rice Watch) de campagne gestart tegen de rijstliberalisering door de gevolgen van de WTO-AoA op de Filipijnse rijstindustrie, om op te roepen tot de intrekking van de Rijstliberaliseringswet. Het doel van de campagne was een krachtig verzet te organiseren tegen de voortdurende verwoesting van de landbouwsector, de landbouw te hervormen en het Filipijnse volk van veilige, voldoende en betaalbare rijst te voorzien. De campagne was er ook op gericht de landbouwgemeenschappen mondiger te maken door hun capaciteiten te vergroten.

 

De in deze campagne gebruikte strategieën waren: – grootschalige informatiecampagne (bv. rondetafelgesprekken, studiesessies, forums, verspreiding van folders op strategische plaatsen, radio-uitzendingen om een grote massa te bereiken, persberichten en conferenties waarin activiteiten en campagnes werden aangekondigd);

– organisatie en mobilisatie van de rechthebbenden (bv. oprichting van nieuwe organisaties, handtekeningencampagnes, bijeenkomsten via sociale media);

– vorming van allianties en netwerken;

– contacten met verantwoordelijken (bv. dialoog met lokale overheidseenheden -/indiening van petities om wetgeving te herhalen);

– het houden van protestacties;

– het creëren van internationale solidariteit en deelname aan wereldwijde campagnes voor voedselzekerheid. 

 

Uitdagingen :

– Inkrimping van de democratische ruimte en “red tagging”: personen en organisaties worden “gelabeld” als communisten of terroristen of als beide, ongeacht hun werkelijke politieke overtuigingen of banden. Red-tagging wordt gebruikt als een politieke tactiek die de Filipijnse democratie ondermijnt door afwijkende meningen in de kiem te smoren, het algemene discours af te schrikken en, nog verraderlijker, aan te zetten tot moord en valse beschuldigingen. Wij organiseren voortdurend mensenrechtentrainingen en para-juridische opleidingen om leiders en leden te versterken in de verdediging van hun rechten en de bevordering van hun sociaal-economische en politieke rechten te midden van de geïntensiveerde aanvallen.

– Weerstoringen: tyfoon seizoen, activiteiten moeten worden uitgesteld om in de behoefte aan voedsel & gezondheidszorg te voorzien….

– Beperkingen als gevolg van de pandemie, waardoor de activiteiten werden uitgesteld en gewijzigd naar online-activiteiten

 

Empowerment vraagstukken en uitdagingen

– Oprichten van organisaties en versterken van de bestaande (wij moeten bijeenkomsten organiseren om potentiële leiders vaardigheden en kennis bij te brengen om activiteiten te organiseren en campagnes op te zetten en mensenrechtenseminaries om de boeren voor te lichten over hun rechten)

– Het organiseren van vrouwen en hen betrekken bij besluitvorming en collectieve actie

– De stem van de boeren versterken door steun van verschillende sectoren.

– Nieuwe landbouwmethoden en –praktijken promoten die zorgen voor een veilige, betaalbare en voldoende voedselproductie.

– Bevordering van de voordelen van agro-ecologie: (lagere productiekosten, hoger inkomen voor landbouwers, collectieve landbouw, en het gebruik van klimaatbestendige gewassen die de landbouwers een betere opbrengst kunnen opleveren)

 

-> Presentatie van Lorena Villareal in het Engels

Discussiepunten/belangrijkste punten die tijdens het debat aan bod kwamen

– Invloed Covid-19 op solidariteit ?

Lorena: Al voor de pandemie was voedselzekerheid verweven met andere kwesties, maar het heeft de banden tussen de organisaties in de sector nog meer versterkt.

Kat: Zowel lokaal als internationaal werden nieuwe allianties gesloten, het bracht gelijkgestemden samen. Miljoenen Filipino’s raakten economisch ontheemd als gevolg van de pandemie.

 

– Collectieve aanpak van empowerment?

We geloven dat mensen sociale verandering kunnen creëren met de juiste middelen. We geloven in de capaciteiten van de mensen en zijn enkel een hulpmiddel voor het organiseren van activiteiten en het verbeteren van hun productie door trainingen en diensten die wij kunnen aanbieden. Uiteindelijk zijn het de boeren en de mensen van de gemeenschap zelf die problemen, zoals rampen, moeten aanpakken. In tijden van crisis zijn zij de eerste hulpverleners.

 

Degenen die te veel macht hebben hun macht ontnemen?

Lorena: We doen dit door protestacties te organiseren om de politici te vervangen, maar hiervoor moeten we eerst een heleboel mensen organiseren voor solidariteitswerk. Het is een wereldwijd probleem vanwege de voedselketen, waardoor de hele wereld de macht van sommige mensen zal moeten uitroeien. Kat: de kleine overwinningen in de strijd tegen de privatisering van de ziekenhuizen helpen voorkomen dat de macht nog meer wordt geconcentreerd in de handen van de privatiseerders.

 

Individuele empowerment vs. collectieve empowerment?

Kat: Wij moeten eerst onszelf/individuen empoweren om bij te dragen tot het grotere goed, tot de collectieve empowerment van de gemeenschap. Lorena: een gemeenschap mondig maken is ook individuen mondig maken. Zij kunnen op hun beurt andere mensen empoweren en collectief werken. Het is dus niet tegenstrijdig.

Kan de mijnbouwsector een drijvende kracht worden voor duurzame ontwikkeling?

In een tijd waarin onze behoefte aan grondstoffen dramatisch toeneemt, schendt de mijnbouwsector in Afrika nog steeds regelmatig de mensenrechten. De aanwezigheid van ontelbare natuurlijke hulpbronnen op dit continent lokken hebzucht uit, en komen de plaatselijke bevolking en mijnwerkers maar weinig ten goede.  De sector wordt al jaren geassocieerd met ontelbare problemen: onveiligheid, corruptie, uitbuiting van mensen, vervuiling, ontheemding van bevolkingsgroepen, schending van arbeidsrechten, … De mijnbouwsector kan dus gezien worden als een plaag voor sommigen, en als een economische kans voor anderen.

 

Is een andere aanpak mogelijk? Kan de mijnbouwsector een drijfveer worden voor duurzame ontwikkeling? Over deze vragen bogen we ons met een aantal sprekers. Zij deelden hun bevindingen en ervaringen met ons aan de hand van de situatie in Guinee en de Democratische Republiek Congo.

 

Mee georganiseerd door Commission Justice et Paix en WSM

Gemodereerd door Clara Debève van EurAc

Wanneer we het over mijnbouw in Afrika hebben, hebben we het vaak over de slechte arbeidsomstandigheden en de grote milieuschade. Zelden wordt gesproken over de drijvende krachten achter duurzame ontwikkeling. Op het eerste zicht kan het stellen van dergelijke vraag paradoxaal lijken voor een ngo. We moeten de mijnbouwsector echter niet te zwart-wit benaderen. Vandaag is het nog steeds een bron van werk en rijkdom. Het is dan ook van essentieel belang oplossingen te vinden die een zekere samenhang brengen in deze zo bekritiseerde sector.

Erik Bruyland, Belgisch journalist die in Congo woonde en auteur van het boek “Cobalt Blues: The Undermining of a Giant (Congo 1960-2020)”

Kan de mijnbouwsector een motor van ontwikkeling worden? Absoluut wel. Het woord duurzaam is een andere vraag, waar je rekening moet houden met de ecologische factoren. Ik ben hier geen expert in, maar als het eerste is bereikt, denk ik dat het tweede ook kan worden bereikt.

 

Ik ben geboren in Kolwezi op een van de rijkste stukken land ter wereld. Ik bleef er tot 1984, na een periode in België voor mijn studies. Ik werd journalist voor het tijdschrift “Trends”. Ik heb besloten mijn gedachten op papier te zetten over een vraag die mij altijd heeft beziggehouden: “Hoe kan zo’n rijk land zo arm zijn?”

 

Moeten we het na zestig jaar onafhankelijkheid nog steeds over Leopold II hebben? Hoewel er geen twijfel over bestaat dat Belgische politici medeverantwoordelijk zijn geweest voor de postkoloniale ontsporingen, is de postkoloniale periode vandaag al langer dan de koloniale periode zelf. Congo heeft ook een hoge dunk van zijn eigen geschiedenis en heeft vele kansen gemist om vooruit te komen. Wat is er dan mislukt?

 

Dit verhaal kan worden uitgelegd in 4 hoofdfasen.

 

Fase 1 : Voor en na de nationalisatie van de Union Minière de Haut-Katanga in 1967, die de Générale de Carrières des Mines werd, is Congo een soort welvaartsstaat. Dit wil zeggen dat het land een snelle verstedelijking kende en er tal van ziekenhuizen, wegen en scholen werden gebouwd. Dit duurde tot de jaren zeventig. In die tijd groeide de DRC met 10%. De mijnbouw was professioneel en industrieel met een langetermijn horizon. De Société Minière Haut Katanga was goed voor 70% van de staatsinkomsten en was nummer drie van de wereld in deze sector.

 

Fase 2 : Na de onafhankelijkheid stelde Mobutu aan België voor om een 50/50 aandeel te nemen in de activa van deze maatschappij. België heeft dit voorstel niet aanvaard.  In ruil voor een zeer royale vergoeding voor België, besloot Mobutu daarom op 1erjanuari 1967 de mijnbouwmaatschappij van Haut-Katanga te nationaliseren, die dan Gécamines werd.

 

Fase 3: (De neergang)

Erfenis van een groot tekort.

Door de Wereldbank opgelegd structureel aanpassingsprogramma (vermindering van de overheidsuitgaven, inkrimping van de administratie).

-Boycot van Mobutu door de internationale gemeenschap

-Financieel wanbeheer van de GCM en interne plundering van haar inkomsten.

 

Fase 4: jaren ’90 (na de komst van Kabila)

-1997: Kabila komt aan de macht.

– Het grote verschil tussen Mobutu en Kabila is dat onder Mobutu het vruchtgebruik en onder Kabila de activa werden verkocht,

– de uitvoering van de privatisering van mijnen door de Wereldbank onder het bewind van Kabila.

– Opbouw van een maffia systeem en persoonlijke verrijking.                                              

– Contract van de eeuw: (De komst van de Chinezen). Mineralen in ruil voor infrastructuur (zie Congo hold-up), deze Sino-Congolese aanpak heeft zijn beloften niet waargemaakt.

 

De DRC had mogelijkheden om van koers te veranderen, maar heeft die niet aangegrepen. Bepaalde staten, industriëlen en persoonlijkheden hebben een belangrijke rol gespeeld in deze gemiste kansen. Het land moet zijn geschiedenis in eigen handen nemen door zichzelf uit te rusten met een efficiënt en transparant politiek systeem. Dit is de enige manier om de kansen te grijpen die voor ons liggen. Zonder deze zaken zijn de vooruitzichten op verandering minimaal.

Bienvenu Matumo, academicus en activist

De DRC, met zijn 100 miljoen inwoners, beschikt over een groot natuurlijk kapitaal. Deze natuurlijke hulpbronnen, die zowel uitputbaar als hernieuwbaar zijn, maken de DRC tot een van de meest begeerde landen van de planeet.

 

In het kader van deze sessie wordt ons de vraag voorgelegd: ‘Kan de mijnbouwsector een motor van duurzame ontwikkeling worden?’ Hieraan kan nog een vraag worden toegevoegd: ‘Kan de DRC, in een wereld waar de vraag naar zeldzame metalen toeneemt, hiervan profiteren om haar lokale en duurzame ontwikkeling op gang te brengen?’

 

Om deze kwestie aan te pakken, zullen wij trachten enkele mogelijke oplossingen voor te stellen die zijn verkend in sommige landen die erin geslaagd zijn zich te onderscheiden in het beheer van natuurlijke hulpbronnen en deze tegelijk te onderwerpen aan territorialisering.

 

Postulaat van Gilles Carbonnier die in 2007 schreef: “hoe de vloek van de natuurlijke hulpbronnen of de paradox van de overvloed te bezweren”. Hij vat zijn denken samen in één formule:

Natuurlijke hulpbronnen + GOED bestuur = ONTWIKKELING (lokaal en duurzaam).

 

Ik stel voor deze formule uit te pakken:

  1. a) De DRC moet eigenaar zijn van en zeggenschap hebben over haar mijnbouwgebied,
  2. b) De DR moet goed bestuur in de mijnbouwsector toepassen,
  3. c) De DRC moet de mijnbouwopbrengsten opnieuw investeren,

 

Wat de controle op de Congolese mijnen betreft, moet de Congolese staat overwegen om:

– De Congolese mijnbouwgebieden in kaart te brengen om de exploratie te actualiseren die in 1892 door de Belgische metropool werd uitgevoerd.

– De vrede en veiligheid in de conflictgebieden in het oosten van het land, te herstellen.

 

Wat goed bestuur betreft, moeten de Congolese staat en zijn internationale partners:

– Congolese mijnbouwdeskundigen opleiden om te onderhandelen over mijnbouwcontracten;

– Strikte handhaving van de mijnbouwcode toepassen;

– Corruptie bestrijden: de DRC heeft meer dan 1,9 miljard dollar verloren in de zaak Dan Gertler met Gécamines;

– De civiele maatschappij opleiden inzake mijnbouwvraagstukken;

– Het ITIE versterken op nationaal niveau;

– Transparant zijn bij de toewijzing van exploratie- en exploitatievergunningen;

– Het belastingbeleid verbeteren;

– De plaatselijke bevolking opleiden in het RSE-systeem;

– Het mijnbouwfonds operationeel maken voor de toekomstige generaties, ter voorbereiding op het tijdperk na de mijnbouw, vooral wat de uitputbare hulpbronnen betreft;

– Versterken van de gerechtelijke capaciteit;

– Demilitariseer de mijnbouwsector;

– Vernieuwing van het productiegereedschap;

– ETD’s opleiden in het opzetten van lokale ontwikkelingsprojecten, zodat zij de hun toegekende 15% van de royalty’s goed kunnen gebruiken;

– Mijnbouwbedrijven aanmoedigen om innovatieve en minder vervuilende mijnbouwtechnieken te gebruiken;

– De prijs van deze grondstoffen bepalen;

– Nadruk op schaalvoordelen.

 

Tenslotte moet de mijnopbrengst opnieuw worden geïnvesteerd in

– Menselijk en sociaal kapitaal (scholen, gezondheidszorg, huisvesting, drinkwater);

– Weg-, spoorweg-, luchthaven- en maritieme infrastructuur om bij te dragen tot territoriale en sociale cohesie;

– Sectoren die groei en werkgelegenheid genereren, met name landbouw, toerisme, veeteelt, enz. om de Congolese economie te diversifiëren,

 

Naast deze opsomming van door de Congolese staat te nemen maatregelen, moeten wij op nationaal en internationaal niveau van de mijnbouwondernemingen een grotere transparantie in de toeleveringsketen van grondstoffen blijven eisen. Willen deze voorstellen effect hebben, dan hebben wij kwaliteit en stabiliteit in regering en instellingen nodig.

Saliou Diallo, vertegenwoordiger van een vakbondsfederatie in Guinee

Guinee is wereldwijd bekend om zijn rijke ondergrond, die de grootste bauxietvoorraden ter wereld bevat (30%), grote ijzer-, goud- en diamantreserves, en ook een aanzienlijk potentieel voor de exploitatie van zink, kobalt, nikkel en uranium.

 

In Guinee biedt de mijnbouwsector werk aan meer dan 100.000 mensen.

Het draagt meer dan 20% bij aan het BBP (Bruto Binnenlands product).

Het is goed voor bijna 90% van de export van het land.

Voor meer dan 80% van de valuta (Euro, Dollar).

De bijdrage van de mijnbouw aan de economie van de staten is onbetwistbaar. Er moet echter erkend worden dat het milieu vaak is opgeofferd in de waanzinnige jacht op mijnbouwrijkdommen.

Bij de mijnbouw zijn vele actoren betrokken en komen tegenstrijdige financiële en humanitaire belangen op de voorgrond te staan.

 

De uitdagingen (niet-uitputtende lijst):

– Bewustmaking van besluitvormers wat hun verantwoordelijkheden zijn

– Bestrijding van de geaccentueerde armoede van de bevolking in het algemeen en van de mijnbouwgemeenschappen in het bijzonder

– Bestrijding van de aantasting van sociale en economische rechten.

– Een einde maken aan buitensporige onderaanneming in strijd met de regelgeving inzake mijnbouw en steengroeven, met uitbuiting van werknemers in onderaanneming en hun gebrek aan sociale zekerheid.

– Verhoging van de salarissen en de werkgelegenheid van de nationale kaderleden.

– Verbetering van het niveau van de staatsinkomsten.

 

Indien ze op de juiste wijze worden geëxploiteerd, moeten de mijnbouwhulpbronnen bijdragen tot de economische groei en de verbetering van de levensomstandigheden van de bevolking.

 

Het is aan de regering om, samen met de actoren van het maatschappelijk middenveld en de parlementariërs, manieren en middelen te vinden om de tegenslagen van de mijnbouw tot een minimum te beperken.

 

De mijnbouwsector moet een bron van waardig werk zijn voor de werknemers (door de ratificatie van de IAO-verdragen, degelijke lonen, veilige arbeidsomstandigheden), zodat zij toegang krijgen tot een waardig leven en universele sociale bescherming.

Discussiepunten/belangrijkste punten die tijdens het debat aan bod kwamen

– Er moet een overgang komen naar een professionele mijnindustrie. De ambachtelijke mijnbouw is een vorm van moderne slavernij, die in de 21eeeeuw onaanvaardbaar is.

– Transparantie is van essentieel belang als men wil dat mijnbouwopbrengsten een motor van ontwikkeling worden.

– Noodzaak om te herinvesteren in andere sectoren en de economie te diversifiëren. Bijvoorbeeld: de oprichting van een batterijfabriek in de DRC.

– Opleiding van de Congolezen op het gebied van mijnbouw is essentieel om de soevereiniteit over het grondgebied te herwinnen.

– Er kunnen geen aanbevelingen worden gedaan zonder dat de politiek en het maatschappelijk middenveld opnieuw met elkaar in contact komen en elkaar vertrouwen.

Conclusie

De mijnbouwsector kan een belangrijke bron van ontwikkeling zijn. De duurzaamheid van deze ontwikkeling zal afhangen van de wijze waarop de inkomsten uit de mijnbouw worden geherinvesteerd en van de normen die aan de mijnbouwsector worden opgelegd. Er zijn vele wegen naar ontwikkeling. Zonder stabiele, betrouwbare instellingen die in dialoog gaan met de civiele maatschappij zijn de vooruitzichten voor ontwikkeling echter moeilijk te overzien. 

Van het opstellen naar het daadwerkelijk toepassen van collectieve rechten

Deze sessie boog zich over het dynamische karakter van het recht, en over de inspanningen die ertoe leiden dat het wordt vastgelegd, toegepast en afgedwongen. Daarvoor bekeken we de rol van de vakbonden in het multilaterale en tripartiete kader van de IAO en bij de belangrijkste supranationale instanties. Daarna verlegden we de aandacht naar het nationale kader van de sociale dialoog als concreet instrument voor de verwerving en bescherming van rechten.

 

Mee georganiseerd door ACV, BIS-MSI (ACLVB) en ISVI (ABVV)

Gemodereerd door Annick De Ruyver, internationale afdeling CSC

Deze sessie ging over het dynamische karakter van collectieve rechten als gevolg van inspanningen om deze te codificeren, te handhaven en te controleren. De sessie had als doel uit te leggen hoe de internationale arbeidsnormen op internationaal niveau worden vormgegeven en gecontroleerd, maar ook welke rol de vakbondsbeweging hierin speelt op de verschillende niveaus (multilateraal, internationaal en nationaal) en hoe zij deze normen gebruikt.

Luc Demaret was tot december 2013 ambtenaar bij het Bureau voor de Werknemersactiviteiten (ACTRAV) van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) in Genève.

De Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), die in 1919 werd opgericht, neemt zowel in het normatieve systeem van het internationale recht als binnen het systeem van de Verenigde Naties een bijzondere positie in. Het is het enige “tripartiete” agentschap, met een gelijke vertegenwoordiging van regeringen, vakbonden en werkgevers, en de enige internationale instelling met als expliciet doel sociale rechtvaardigheid en de bescherming van de rechten van werknemers over de hele wereld.

Met haar 190 verdragen, die bindend werden na ratificatie, heeft zij een echte internationale code voor het recht op werk opgesteld, waarvan zij de toepassing in haar 187 lidstaten controleert (via een monitoring- en klachtensysteem). Zij telt ook 206 aanbevelingen die niet bindend zijn, maar wel als richtsnoer kunnen dienen en zo richting kunnen geven aan het wetgevingsdebat of een rechtsvacuüm kunnen opvullen.

Bovendien is een juridische waakzaamheid door de vakbonden noodzakelijk voor :

  • De bevordering van de bekrachtiging van de verdragen
  • Aandachtspunten en voorstellen voor toekomstige internationale normen
  • Toezicht houden op de wetgevingsactiviteiten van het land, ervoor zorgen dat de wetten in overeenstemming zijn met de geratificeerde normen en melding maken van gevallen van niet-naleving
  • Het gebruik van de normen als rechtsbronnen in nationale rechtsgebieden

Luc ontrafelde ook een aantal mythes in verband met de IAO-normen:

  • Deze gelden niet alleen voor ontwikkelingslanden. Integendeel, zij bewijzen elke dag hun nut, zelfs in België waar zij voor de rechtbanken kunnen worden ingeroepen.
  • De IAO houdt toezicht op de tenuitvoerlegging van de verdragen door middel van verslagen die door de lidstaten moeten worden ingediend en een klachtenregeling die openstaat voor vakbonden, maar beschikt niet over middelen om de ratificatie van de verdragen af te dwingen en heeft geen sancties voor de niet tenuitvoerlegging ervan. De vakbonden (en de nationale rechters) waken over de toepassing ervan door gebruik te maken van de rechtsstelsels en sancties op nationaal niveau.
  • De mensenrechtenverdragen van de VN zijn verweven met die van de IAO.
  • Hoewel er 8 “kern”-verdragen zijn, heeft elk van de verdragen een grote juridische waarde.

 

-> Presentatie en notities van Luc Demaret beschikbaar in het Frans

Mamadou Diallo is sinds 1981 vakbondsactivist in Senegal. In 2017 werd hij verkozen tot adjunct-secretaris-generaal van het Internationaal Verbond van Vakverenigingen (IVV).

Buiten de IAO zijn de vakbondsorganisaties verenigd in het Internationaal Verbond van Vakverenigingen (IVV), dat 332 vakbondsorganisaties in 163 landen verenigt (waaronder het CSC, het ABVV en het CGSLB in België). De belangrijkste missie van het IVV is het bevorderen en verdedigen van de rechten en belangen van arbeiders over de hele wereld, met name door internationale samenwerking, wereldwijde campagnes en militante actie binnen de belangrijkste internationale instellingen.

 

Een jaarlijks Wereldrechtenverslag, dat wordt gepubliceerd voorafgaand aan de Internationale Arbeidsconferentie in Genève in juni, geeft ook een overzicht van de situatie in 149 landen (aan de hand van 97 indicatoren gebaseerd op internationale arbeidsnormen) en stelt schendingen tegen vakbonden en werknemers aan de kaak. Het verslag is een belangrijk instrument voor de vakbonden. Het wordt ook door IAO-deskundigen gebruikt ter voorbereiding van het Comité voor de toepassing van normen.

 

Helaas zijn, zoals uit het laatste 2021-verslag blijkt, de schendingen van het stakingsrecht, het recht om een vakbond op te richten en zich daarbij aan te sluiten, het recht om vakbondsactiviteiten te verrichten, de burgerlijke vrijheden en het recht op vrijheid van meningsuiting en vergadering nog nooit zo hoog geweest. In 47 landen zijn gewelddaden tegen vakbondsleden geregistreerd. El Salvador is een van de ergste gevallen, met maar liefst 22 vakbondsmensen die door criminele bendes zijn vermoord. Sommige regeringen en werkgevers hebben de pandemie gebruikt als een verantwoording om de rechten van werknemers te schenden en het toezicht op hen te verscherpen.

 

 

Het Midden-Oosten en Noord-Afrika blijven de slechtste regio ter wereld voor werknemers. De tien slechtste landen in 2021 zijn: Bangladesh, Belarus, Brazilië, Colombia, Egypte, Honduras, Myanmar, de Filipijnen, Turkije en Zimbabwe. Het IVV besteedt bijzondere aandacht aan deze landen. Er bestaat ook een internationaal solidariteitsfonds om vakbondsleden die in gevaar verkeren te verdedigen (in 2021 werden vakbondsleden in 68 landen gearresteerd en willekeurig vastgehouden en in 6 landen vermoord: Brazilië, Colombia, Guatemala, Myanmar, Nigeria en de Filippijnen).

Célestin Nsavyimana is voorzitter van de Confederatie van Burundese vakbonden “COSYBU”, waarin hij actief is sinds de oprichting ervan in 1995. Hij is tevens voorzitter van de Nationale Federatie van Vervoers-, Sociale en Informele Werknemers (FNTT-SI).

De sociale dialoog, een overblijfsel van het normatieve werk van de IAO, wordt ook gevoerd tussen de sociale partners (vakbonden, regering en werkgevers) op nationaal niveau. De heer Nsavyimana gaf het voorbeeld van Burundi, waar tripartisme is verankerd in het ‘Nationaal Handvest voor de Sociale Dialoog’, in de wet en in de arbeidswet. De sociale dialoog vindt plaats binnen de Nationale Raad voor Sociale Dialoog (NRSD), alsook op provinciaal en sectoraal niveau. Vakbondsleden gebruiken deze instanties bij collectieve geschillen om akkoorden te bereiken – die helaas soms pas na een rechtszaak ten uitvoer worden gelegd.

 

In een land als Burundi is de lage vakbondsgraad in de formele privésector (97% van de werknemers is werkzaam in de informele economie) een groot probleem. Dankzij een overeenkomst met de Association des Entreprises du Burundi (AEB) is de sociale dialoog echter stevig verankerd in bedrijven in de privésector (althans in de sectoren waarin de AEB actief is) en is hij zelfs uitgebreid tot de informele economie.

 

Sinds 2002 heeft COSYBU zich toegelegd op het organiseren van werknemers in de informele economie, die nu de overgrote meerderheid van de leden van de vakbond vormen, en die georganiseerd zijn in vier sectorale federaties (Transport, Manufacturing, Domestic en Agrofood). De steun en de opleiding die deze vakbondsfederaties aan de werknemers aanbieden, vergemakkelijken de veralgemening van de sociale dialoog (op sectoraal en bedrijfsniveau) in deze sectoren, en dus de oplossing van conflicten en het sluiten van overeenkomsten.

 

De collectieve onderhandelingen bij de NRSD hebben ook betrekking op de arbeidswetgeving. Er is een ingrijpende herziening van de arbeidswet doorgevoerd. Bij deze herziening werd een beroep gedaan op het Standards Office van de IAO, dat de opmerkingen van de vakbonden heeft gevalideerd en ondersteund. Door deze steun van de IAO en de oprichting van vakbonden door werknemers in de informele economie, kunnen in de arbeidswet verwijzingen naar Verdrag 189 en Aanbeveling 204 opgenomen worden, waarin bijzondere aandacht wordt besteed aan informele en kwetsbare werknemers. Dankzij deze verwijzingen naar de IAO-normen betekent de nieuwe arbeidswet dus een echte vooruitgang voor de werknemers in de informele economie in Burundi. Vakbondswerk op sectoraal en ondernemingsniveau (informeel) zal hen in staat stellen deze juridische vorderingen in verworven voordelen om te zetten.

Discussiepunten/belangrijkste punten die tijdens het debat aan de orde zijn gesteld

Hoeveel jaar duurt het gemiddeld om een internationaal verdrag goed te keuren en wie kiest de onderwerpen?

Ieder jaar worden onderwerpen voorgelegd aan de Raad van Bestuur (RB) van de IAO. Het zijn bijna altijd de werknemers die onderwerpen voorstellen en oproepen tot een conventie die meer rechtskracht heeft. Werkgevers houden zich meestal in en staten moeten overtuigd worden van het nut van een instrument.

 

Zo werd Verdrag 189 over huishoudelijk werk in 2007 voorgesteld en besproken in het bestuursorgaan, waar de 56 leden overtuigd moesten worden van de gegrondheid van het voorstel van de werknemers. Het onderwerp is op de agenda geplaatst van de Internationale Arbeidsconferentie voor een eerste bespreking in 2010 en een vergelijkende studie is verricht om de wetgeving in de landen te inventariseren en de onderhandelingen voor te bereiden. Hieruit bleek dat de werknemers niet voldoende beschermd waren. Het verdrag is in 2011 aangenomen.

 

Hoe kunnen de VN-verdragen worden gebruikt? 

Er zijn negen internationale kernverdragen inzake mensenrechten. Elk van deze verdragen heeft een comité van deskundigen ingesteld om toe te zien op de tenuitvoerlegging van de bepalingen van het verdrag door de verdragsluitende staten. Deze verdragsorganen bestaan uit onafhankelijke deskundigen en komen bijeen om verslagen van verdragsluitende staten en klachten of mededelingen van individuele personen te onderzoeken (op voorwaarde dat de staat het verdrag geratificeerd heeft; uitdrukkelijk verklaard heeft dat hij de bevoegdheid van dit orgaan om een individuele klacht te ontvangen aanvaardt; en de rechtsmiddelen van het nationale recht uitgeput zijn). Voor IAO-verdragen hoeven de nationale rechtsmiddelen echter niet te zijn uitgeput en door het verdrag te ratificeren aanvaardt de staat dus automatisch te worden onderworpen aan toezicht, onder meer via klachten en vorderingen.

 

Hoe werkt het NRSD-solidariteitsfonds?

Het NRSD ontvangt vrijwillige bijdragen van aangesloten organisaties en soms zelfs rechtstreeks van werknemers. Het fonds wordt gebruikt om vakbondsorganisaties te helpen die steun nodig hebben (dit was bijvoorbeeld onlangs het geval voor vakbondsleden in Myanmar die het land moesten ontvluchten).

De rechtenbenadering in internationale samenwerking: uitdaging fragiele contexten

Waarom is de op rechten gebaseerde aanpak zo belangrijk in internationale samenwerking, en in het bijzonder in fragiele contexten? Wat zijn de concrete instrumenten, goede praktijken en uitdagingen waar actoren betrokken in internationale samenwerking mee worden geconfronteerd bij het toepassen van deze aanpak, met name in fragiele contexten?

 

Geoffrey Matagne, politicoloog aan de Universiteit van Luik, liet zien welke concrete instrumenten op Europees en Belgisch niveau inzetbaar zijn om de rechtenbenadering om te zetten in de praktijk. Enkele internationale partnerorganisaties stelden vervolgens good practices voor, maar ook de uitdagingen waarmee ze geconfronteerd worden bij de operationalisering van deze benadering. De sessie ging ook over welke instrumenten bevorderd en welke hinderpalen vermeden moeten worden voor actoren die de rechtenbenadering willen implementeren.

 

Mee georganiseerd door 11.11.11 en CNCD-11.11.11

 

Gemodereerd door Antoinette Van Haute van CNCD-11.11.11

Geoffroy Matagne – Onderzoeksgroep ter ondersteuning van het vredesbeleid (GRAPAX) van de Universiteit van Luik

Rechtenbenadering (RB) en fragiliteit

Fragiliteit: uitgaan van de context

  • “Blootstelling aan risico’s v. onvoldoende capaciteit” (OESO, 2016)
  • “Overheidsactoren en -systemen die er niet in slagen basisdiensten te verlenen aan arme mensen omdat zij daartoe niet bereid of in staat zijn” (OESO, 2006)
  • De relatie tussen staat en samenleving en het “sociaal contract”: de kern van de rechtenbenadering
  • Bijzonder belangrijk MAAR nog moeilijker

Ondervonden moeilijkheden

  • Toegang tot basisdiensten
  • Eerbiediging en bescherming van de fundamentele rechten van de mens
  • Democratisch bestuur en de rechtsstaat
  • Capaciteiten van de overheid en het maatschappelijk middenveld

Wat is een RB?

Een RB is een conceptueel en methodologisch kader:

  • de Planning,
  • de Goedkeuring,
  • de oprichting en
  • de evaluatie

een ontwikkelingsbeleid dat gebaseerd is op een wereldwijd stelsel van rechten en verplichtingen

Sleutelbegrippen

Een recht is een relatie tussen een individu of een sociale groep die een geldige aanspraak heeft (rechthebbenden) en een of meer andere individu(en), groep(en) of instelling(en) die een verplichting heeft/hebben (plichtsdragers) jegens dat individu of die groep(en).

  • Rechthebbenden
    • Specifieke rechten ten aanzien van specifieke plichtdragers.
    • Alle mensen hebben rechten.
    • Voor sommige groepen worden hun rechten vaak niet volledig geëerbiedigd, beschermd of nageleefd.
  • Plichtsdragers
    • Statelijke en niet-statelijke actoren, maar de uiteindelijke verantwoordelijke is de staat.
    • Verplichting tot eerbiediging, bescherming, bevordering en naleving van de rechten van de mens
  • Dit zijn de verschillende rollen in een relatie.

Beginselen van de mensenrechten (VN)

  • Universaliteit
  • Onderlinge afhankelijkheid
  • Ondeelbaarheid

à Conceptueel

  • Gelijkheid en non-discriminatie
  • Deelname en inclusie
  • Verantwoordingsplicht en de rechtsstaat

è Uitvoerbaar

MR als doelstellingen en proceduregids

BE en EU: “Mensenrechten en beginselen als middel en doel van ontwikkelingssamenwerking” (Toolbox 2014)

  • Proces en methodologie (instrumenten)
  • Fundamenteel strategisch en politiek

De MEET-beginselen

  • Meaningful participation
  • Equality, non-discrimination and inclusion of marginalized groups (leave no one behind)
  • Empowerment and capacity building
  • Transparency and accountability

à Onderlinge afhankelijkheid van de beginselen: zij kunnen alleen worden verwezenlijkt als zij allemaal worden nageleefd. Participatie ó inclusie ó empowerment ó transparantie

De toegevoegde waarde van de RB

Nadruk op inputs in plaats van op uitkomsten ó Nadruk op processen en uitkomsten

Behoeften worden vervuld ó Rechten worden gerealiseerd, gerespecteerd, beschermd en bevorderd

Individuen: passieve begunstigden van interventies ó Individuen: in staat gesteld om hun rechten op te eisen

Individuen: verdienen hulp/bijstand ó Individuen: hebben recht op hulp/bijstand

Focus op directe oorzaken van problemen ó Focus op onderliggende oorzaken

Algemene uitdagingen

  • Complexe en arbitraire keuzes
  • Internationale mainstreaming van de aanpak vergt een langdurig proces en inzet. Deze fragiele contexten veranderen voortdurend.
  • De kwestie van de middelen: dit impliceert een aan de aanpak aangepaste opleiding, middelen in de vorm van tijd, middelen en deskundigheid.

MEET: de uitdagingen aangaan, ervaring en hulpmiddelen.

  • Wie en met wie?
  • Het moment van wanneer?
  • Met welk effect?

 

-> Presentatie van Geoffroy Matagne in het Frans

Passy Mubalama – Aidprofen (Acties en initiatieven voor de ontwikkeling van de bescherming van de vrouw en van het kind) (DR Congo)

in Noord Kivu, Oost-DRC

 

Veiligheidscontext in Noord-Kivu (Vóór de noodtoestand)

  • Moeilijke context, gekenmerkt door gewapende conflicten gedurende meer dan twee decennia
  • Meer dan 120 nationale en buitenlandse gewapende groepen die verantwoordelijk zijn voor verscheidene schendingen van de mensenrechten (in het bijzonder de rechten van vrouwen en kinderen), invallen, enz.
  • Ernstige schendingen van de mensenrechten, waaronder oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid, en er is sprake van genocide in Congo, hoewel die niet officieel is uitgeroepen.
  • Massale volksverhuizing van mensen op zoek naar vrede en veiligheid, en bevolkingsgroepen die in zeer moeilijke omstandigheden leven.
  • Politieke instabiliteit met een verandering van regime en een zoektocht naar stabilisatie (politieke onderhandelingen tussen de FCC en de CACH), die de president ertoe gebracht heeft de Heilige Unie van de Congolese Natie in het leven te roepen, waarbij verschillende politieke actoren zich hebben aangesloten.
  • Op 6 mei is in Noord-Kivu en ITURI, twee door conflicten geteisterde provincies in het oosten van de Democratische Republiek Congo, de noodtoestand afgekondigd om volgens de Congolese autoriteiten (het staatshoofd) een einde te maken aan het activisme van de gewapende groepen in Oost-Congo.
  • Deze uitzonderlijke regime geeft de grootste macht aan de strijdkrachten van de Republiek
  • De militaire autoriteiten zijn bevoegd om dag en nacht huiszoekingen te verrichten, publicaties en bijeenkomsten te verbieden die als een bedreiging van de openbare orde worden beschouwd, personen te verbieden zich te verplaatsen en eenieder te arresteren voor verstoring van de openbare orde. Burgers worden voor militaire rechtbanken gedaagd, hetgeen in strijd is met de regionale normen.
  • Helaas heeft dit uitzonderlijke regime een aantal zwakke punten vertoond:
  • Het opsporen van gewapende groepen, alsmede conflicten tussen het loyalistische leger, de FARDC en gewapende groepen die massale volksverhuizingen tot gevolg hebben.
  • Een toename van het aantal schendingen van de mensenrechten in Noord-Kivu, zoals in Ituri.
  • Er worden nog steeds massamoorden op bevolkingsgroepen geregistreerd
  • Gevallen van verkrachting van vrouwen en meisjes, seksueel geweld, niet alleen door gewapende groepen, maar ook door bepaalde leden van de loyalistische troepen, alsmede door burgers.
  • Vormen van gender gerelateerd geweld, waaronder verkrachting
  • Seksuele en lichamelijke mishandeling, gedwongen huwelijken, ontzegging van bestaansmiddelen, psychologisch geweld, gevallen van moord, enz.

 

De mensenrechtenbenadering

De mensenrechtenbenadering in de ontwikkelingssamenwerking is van cruciaal belang omdat zij de mens centraal stelt. Niet alleen voor de regering, maar ook voor alle betrokken instellingen. Eerbiediging van de menselijke beginselen en de mensenrechten is zeer belangrijk, omdat wij niet over ontwikkeling kunnen spreken zonder rechtvaardigheid. De RB zorgt ervoor dat u toegang heeft tot de rechter en dat uw mensenrechten worden gewaarborgd (universaliteit). De benadering zorgt ervoor dat de vrede gehandhaafd blijft, dat er meer gelijkheid en minder corruptie is en dat het leven gemakkelijker wordt.

 

Ons werk:

Mannen bewuster maken van geweld tegen vrouwen. Wij zijn partners van 11.11.11. en wij werken op gelijke voet, zonder een top-down benadering. Elke dag zorgen we ervoor dat mensen hun mening kunnen uiten en dat is belangrijk bij een rechtenbenadering. Iedereen heeft het recht om zijn rechten bij de plichtdragers af te dwingen.

 

Uitdagingen bij de uitvoering van de RB

  • Er bestaat een groot gevaar voor mensenrechtenverdedigers. Alleen omdat wij onze rechten als rechthebbenden willen opeisen, worden wij het doelwit van plichtsdragers, omdat wij bepaalde (sociale en politieke) belangen in gevaar brengen.
  • Wij proberen ook aan beleidsbeinvloeding te doen op lokaal/nationaal/internationaal niveau.
  • Niettemin blijft de context zeer fragiel en moeten de gemeenschap en de mensen een centrale rol spelen. Natuurlijk kunnen ze dat alleen doen als in hun basisbehoeften wordt voorzien.

Ik denk dat wij dit alleen kunnen bereiken als er voldoende samenwerking is tussen alle landen.

 

-> Presentatie van Passy Mubalama in het Frans

Saliou Diallo (Secretaris-generaal van de Nationale Confederatie van Guinese Werknemers (CNTG)

De mijnbouw in Guinee is zeer schadelijk voor onze bossen en onze bevolking. De acties van de bedrijven vormen een schending van de rechten van de plaatselijke bevolking en worden desondanks door de regering gesteund. Wij willen alles in het werk stellen om duidelijk te maken dat wij strijden en allianties aangaan met nationale en internationale NGO’s.

 

Context

De rechtsstaat is essentieel, maar die hebben we niet. Sinds 1958 hebben we drie machtshervormingen gekend. In ‘84 werd de macht overgenomen en in ‘90 kwam er een nieuwe grondwet, waarbij we verschillende partijen kenden. In ‘93 werden er verkiezingen gehouden in het land en de generaal die toen werd gekozen deed er alles aan om tot 2008 aan de macht te blijven. Meteen daarna nam het leger de macht over, zodat er opnieuw geen rechtsstaat was en geen bescherming of eerbiediging van de mensenrechten. Tegen 2020 was het ergste voorbij, tot op 5 september van dit jaar, het leger de macht weer overnam. Wij werken samen met de vakbonden via verschillende vakbondsfuncties, het maatschappelijk middenveld en onderwijs, en gaan naar de mensen toe om uit te leggen wat hun rechten zijn. We vechten ook met de vakbond voor een nieuwe grondwet. Waarom is de RB zo belangrijk in deze context? Door de veelvuldige staatsgrepen is de situatie in het bijzonder voor vrouwen en kinderen, die het meest kwetsbaar zijn, heel moeilijk geworden (denk maar aan geweld tegen vrouwen). Het is heel moeilijk om uit die negatieve spiraal te komen.

 

De uitdagingen:

– Fragiele sociale en politieke context met zeer zwakke instellingen.

– Telkens als we de hoop hebben een rechtsstaat te vestigen, is er een staatsgreep. Alleen de vakbonden strijden nog voor een geldige grondwet met mensenrechten.

– Goede praktijk: Het is belangrijk samen te werken met internationale organisaties zoals de uwe om kinderen/vrouwen/minderjarigen, d.w.z. de meest kwetsbare groepen, te beschermen.

Discussiepunten/belangrijkste punten die tijdens het debat aan de orde zijn gesteld

Hans Joppen van DGD: Er is een verplichting om de rechtenbenadering toe te passen. Ook in de EU wordt steeds meer de nadruk gelegd op de RB bij interventies en worden ze sterk aangemoedigd om die op het terrein te gaan toepassen. Op VN-niveau zien we de RB terugkomen als een transversale aanpak voor de SDG 2030-agenda. Wij werken aan richtsnoeren en instrumenten voor partners op het terrein. Wat het beleid betreft, is er ook een toepassing van de rechtenbenadering in de politiek. Het grote verschil met de aanpak gebaseerd op noden is dat de RB gebaseerd is op actieve actoren die rechten hebben, wat ook een wetgevend element met zich meebrengt. Deze actoren (de burgers) kunnen zelf dingen van de regering eisen en aan actief burgerschap doen. Dat is wat we in de ontwikkelingssamenwerking willen bereiken, zodat de mensen zo in staat zijn om voor hun eigen ontwikkeling te kunnen zorgen. Er is natuurlijk meer kader nodig, maar de NGO’s zijn hier al mee bezig.

Conclusie

De rechtenbenadering sensibiliseert de Belgische actoren en lokale partners. De RB is gebaseerd op de radicale gelijkheid van alle burgers en op een gelijke toegang tot alle rechten, ongeacht hun achtergrond of herkomst. Relaties moeten worden omgedraaid en opnieuw gedefinieerd. Het identificeren van de meest kwetsbare groepen en begunstigden is het belangrijkst. De groepen zouden het meest betrokken moeten zijn en moeten kunnen deelnemen. Het principe hiervan is erg interessant, maar we hebben ook middelen zoals expertise en tijd nodig. De problemen zijn gemeenschappelijk voor iedereen, we moeten het niet steeds hebben over de “arme Congolese bevolking”, maar inzetten op een internationale samenwerking. We hebben hulp nodig van internationale organisaties, wat ook morele steun inhoudt.

De rechtenbenadering in internationale samenwerking: uitdaging fragiele contexten

Waarom is de op rechten gebaseerde aanpak zo belangrijk in internationale samenwerking, en in het bijzonder in fragiele contexten? Wat zijn de concrete instrumenten, goede praktijken en uitdagingen waar actoren betrokken in internationale samenwerking mee worden geconfronteerd bij het toepassen van deze aanpak, met name in fragiele contexten?

 

Geoffrey Matagne, politicoloog aan de Universiteit van Luik, zal laten zien welke concrete instrumenten op Europees en Belgisch niveau inzetbaar zijn om de rechtenbenadering om te zetten in de praktijk. Enkele internationale partnerorganisaties zullen vervolgens good practices voorstellen, maar ook de uitdagingen waarmee ze geconfronteerd worden bij de operationalisering van deze benadering. De sessie zal gaan over welke instrumenten bevorderd en welke hinderpalen vermeden moeten worden voor voor actoren die de rechtenbenadering wil implementeren.